Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jawel mijnheer.''

„Uw beroep?"

„Ik heb geen beroep."

Geen beroep! Schaamt gij u niet, zoo'n jonge man en dan te lui om te werken.1'

„Ik ben niet te lui, maar niemand wil mij laten werken en ook niemand, die met mij zou willen werken; ze haten mij allemaal" en weer met even ter zijde geworpen hoofd, een woedende blik naar de dorpelingen achter de barrière.

„Ja, dat heb je vroeger in de instructie ook al gezegd, maar dat geloof ik niet."

„'t Is toch de zuivere waarheid."

„Ga maar zitten, ik vermaan je oplettend te zijn op hetgeen je de griffier zal voorlezen."

Met eentoonige opdreunstem leest vervolgens de griffier voor de verwijzing naar de openbare terechtzitting wegens geweldadigheden tegen een bedienenden ambtenaar of agent van de gewapende macht, gepleegd in de waarneming zijner bediening, terwijl daarbij heeft plaats gehad kwetsing en bloeduitstorting.

Hij hoort het niet; 't is of die beschuldiging hem niet aangaat.

De eerste getuige verschijnt, de veldwachter; duidelijk, helder geeft hij een relaas van het tegen hem gepleegde feit.

„Beschuldigde hebt gij dezen getuige nog iets te vragen?" voegt de voorzitter Wauben toe.

„Jawel mijnheer."

„Wat dan?"

Sluiten