Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens zoo snel mogelijk weg te vluchten naar het Kasteel.

„Juffrouw Jeanneke, juffrouw Jeanneke", roept hij haar na; „ik dank u nog wel".

Zij hoort het echter niet; het gezichtje in haar boezelaar verborgen, de borst voorover, holt ze weg.

Zoo lang mogelijk tuurt hij haar na.

Toch jammer, dat hij het fretje heeft teruggenomen; zij hield er zooveel van en het had het zoo goed bij haar, zeker veel beter dan bij hem — zou hij haar terugroepen?1'

't Beestje heeft zich met z'n scherpe nageltjes vast gehecht aan z'n kiel; zenuwachtig in snelle bewegingen draait en wendt zich het puntig kopje, hem aankijkend met de zwarte kraaloogjes.

Eensklaps trekt het zich omhoog, slingert zich met snelle rugronding om z'n nek en kruipt vervolgens onder zijn vest.

Een wilde, woeste kreet, die hij uitgalmt, ondanks zich zeiven; z'n Aniieke heeft hem herkend, 't heeft hem herkend en jubelend grijpt hij het tusschen zijn beide handen, terwijl bij het nu ook kust met driftige, harde zoenen.

Met wijden lach om den mond, met oogen glinsterend van geluk keei't hij terug, thans den grooten weg volgend; hij ontwaart niet de angstige gezichten der dorpelingen, die hij ontmoet; hij ziet niet hun bang Huisteren; hij schrijdt slechts voort, blij joelend, steeds zacht wrijvend over de borst, waarop zijn beestje rust.

Weer in zijn hut trippelt het terstond naar de

Sluiten