Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doet dat niet; 't is beter, dat ik heenga, veel beter, opdat er tusschen ons niets, niets meer blijft bestaan."

„Zijn we dan niet verzoend; wat kan er dan nog blijven bestaan T

„I)e herinnering aan het verleden, mijnheer du Pré; het kan u niet aangenaam zijn te weten, dat er in uwe onmiddellijke nabijheid nog een wezen is, dat dat verleden kent, dat den inhoud heeft gelezen der papieren, zooeven verbrand; dat denkbeeld zal zich telkens van u meester maken als ge mij ontmoet; die gedachte zal u telkens droef zijn als ge mij ziet en ook die anderen in het dorp zullen blij, vroolijk zijn als ik weg ben, want zij zullen weer vrij, zorgeloos kuuueu rondloopen; ze zullen niet meer schuw behoeven rond te kijken, angstig, dat ze mij zullen ontmoeten; ze zullen weer in de herbergen mogen uitschreeuwen hun dolle pret, niet geschandaliseerd door mijn bijzijn, en ik zelf mijnheer, ik zal gindsch werk zoeken, zonder vrees, dat de boeren mij hun deur lit zullen jagen als een verpeste."

„Neen. Zeker niet Wauben, zeker niet; ik zal zorgen, dat je daar terstond op een van mijn boerderijen arbeid zult vinden."

„Dank u, mijnheer du Pré, dank u" en hij drukt diens hand, vast, krachtig.

Plotseling wendt hij zich om, opent de kist en haalt zijn fret er uit.

„Wilt u het noir; even goeien dag zeggen, juffrouw Jeanneke voor het laatst."

Ze grijpt het diertje in haar armen, kust het weer

Sluiten