Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In een hoek op een laag houten stellage een prachtig glimmend harnas, met kunstig gedreven figuren op den helm; de borstkas ingedeukt; daarnaast een lezenaar van roode peluche met gouddraad gestikt, waarop een lijvig boek met goor perkamenten band, en in het midden van deze zaal, als eene heiligschennis tusschen al dat oude, dat eerbiedwaardige, een helderwit gedekte tatel, waarop een dampende koffiepot, eieren, vrachten en een heerlijke appelentaart.

„ Allo jongens, nou maar goed eten hoor, vooral van de tartepomme, anders krijgt jelui ruzie met Marianne en die is niet gemakkelijk als ze begint, dat weet Herman wel."

Niettegenstaande deze bedreiging eet ik niet veel; ik heb geen honger meer te midden van al dit vreemde, dit wonderbare; ik staar slechts naar die stijve trotsche mannen, die allen mij aankijken met hunne strakke blikken.

Mijn vriendje Herman is reeds uit het vertrek verdwenen en ik heb zijn heengaan niet eens gemerkt; mijn geheele aandacht, al mijn denken blijft in een schier droomend peinzen gericht op die hoog stijve figuren.

„Mijnheer, wie zijn dat allemaal?" waag ik plotseling te vragen met angstig, benepen stem.

Mijn gastheer verrijst uit den oud leeren zetel; zijn oogen schitteren en vlammen nog meer dan zooeven; de rug buigt zich meer achterover en dan in fiere trotschheid met breeden zwaai van zijn enkelen arm: „dat, m'n jongen, zijn m'n vader, m'n grootvader, m'n

Sluiten