Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breedgeschouderd; op den gespierden hals een tiju besneden gelaat met regelmatige trekken; het donker oog vol vurigen levenslust, maar tegelijkertijd vol krachtig willen.

Onder de gravenkroon, die zijn hoofd siert, vallen neer de zwarte lokken op den marter bonten kraag van den langen, blauwen sorkoet, die reikt tot de lijn lederen, puntig uitloopeude snebben.

Een reusachtige sperwer op den gelen handschoen is het teeken van zijn hoogen adeldom.

Naast hem zijne vrouw, Limburg's hertogin met tletsblauwe oogen, dof voor zich uitstarend in het wasbleek, ziekelijk gelaat; een vriendelijke glimlach 0111 de ingevallen dunne lippen; het naar achter gekamde haar is schier verborgen onder het klein, rood met goud brocaat doorweven kapje, waarop eveneens een gouden kroon; onder den langen lijtrok van Yperscli scharlaken, die neervalt tot op den grond, houdt een van hermelijn vervaardigd corset haar bovenlijf omsloten.

Vlak voor het liooge echtpaar hebben zich geplaatst de nog jeugdige, hoogblonde heer van \ alkenburg en van Monjoie Waleram, bijgenaamd de ltosse; naast hem staan Thierry van Heinsberg, Jan van Leuven, de drie broeders Walram, Otto en Gerard van Gulik, Hendrik, graaf van Luxemburg, Waleram, heer van Lignij en Gozcwijn van Bern; dezen zijn allen vermaagschapt aan het Limburgsche huis.

Achter beu de baronnen en ridders van bcliinnen, van Spaubeek van Hoensbroeck, van Oirsbeek, van Vaesraede, van Amstenvade, van Scliaesberg, van

Sluiten