Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tenis van Ermenga, derhunne voormalige vorstin, aan haren geniaal verzocht, de eersten in den strijd te mogen zijn.

Na dezen verschijnt Reinoud, graaf van Gelre, gesteund door Gozewijn, heer van Borne en andere ridders uit zijn graafschap; het leger van Siffroi van Westerburg, den bisschop van Keulen, vormt de achterhoede; hier onder bevinden zich Henri, heer van Westerburg, broeder van den Keulschen kerkvorst, Adolf van Nassau, die eenmaal koning van Duitschland zal worden en andere Duitsche baronnen en graven.

Zoodra Reinoud zijne vijanden ontwaart, ontbiedt hij tot zich den jongen Waleram, heer van Valkenburg en Herman Scravendisch, aan wien hij zijn eer en lijf ter verdediging toevertrouwt, terwijl hij zijn banier in handen geeft aan Thierry van Heinsberg en Otto van Gulik.

Langzaam, statig als een ontzachelijk schip met ontelbare masten schuift het leger van Braband's Hertog over de Fuhlinger heide nader en nader, dreigend in zijne majestueuze grootheid.

Nauwelijks hebben de Limburgers den zwarten banier van hun vijand gezien en herkend of met den kreet „au duc; au duc" stormen zij voort in gestrekteu draf op hunne vijanden.

Een geweldige schok, een krakend gepletter van zilveren harnassen tegen elkaar; een onwillekeurig terugdeinzen der paarden, de met staal bedekte koppen omhoog. Een oogenblik een angstige stilte na het donderend geweld.

15

Sluiten