Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plots, den rug gebogen, het hoofd voorover, schel krijschend „voor Limborch" reut Herman Scravendisch vooruit; den heer van Walraven neerstootend staat hij thans voor Braband's heer.

Met angstige spanning zien de ridders van beide partijen die twee mannen aan, die thans zullen strijden op leven en dood.

Beiden tiere, groote gestalten; beiden mannen bekend voor hun moed en ridderlijkheid.

't Is of het geheele gevecht een wijle ophoudt, of ze allen willen zien dien strijd.

Eerst trekken beide tegenstanders hun paarden een weinig achteruit, dan eensklaps rijden ze tegen elkaar in, fel en krachtig; een korte schok, een scherp gekraak, een bons van ingedrukt metaal, maar beiden wankelen niet; beiden zitten nog vast, stevig in het zadel.

Plotseling een uitroep van verbazing, van verwondering; de Limburger heeft 't vizier van den helm geopend, de speer weggeworpen en weer heeft hij zich gestort op den vijand; met snelle lichaamszwenking weet hij het op hem gerichte wapen te ontwijken en 't volgend oogenblik is hij weer bij den geduchten tegenstander; ook deze heeft zijn lans losgelaten; 't wordt nu een strijd van man tegen man, zonder wapenen.

Jan I heeft den arm geslagen om het middel van zijn aanvaller; Scravendisch heeft met de hand den helm van 't gelaat van zijn vijand weggerukt en zijn vuist om diens hals geklemd; nu een trekken en stooten om elkander van het paard te wringen; hunne

Sluiten