Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de allee aan weerszijden tal van boeren en boerinnen, schreeuwend en gillend niet hoog krijschende stemmen: „Vivat d'n offeceer, vivat ooze jongeuhiër Herman, lang zal èr leve."

Voor de met vlaggen en groen versierde poort, de oud-kolonel, de burgemeester, de pastoor, de schoolmeester, Marianne, de hovenier, de paardenknecht, allen met hunne jongens, de voormalige kameraden en strijdmakkers van mijn vriend.

Een indrukwekkend, plechtig oogenblik, toen de zoon in den arm zijns vaders viel, beiden huilend, zonder een enkel woord te kunnen zeggen, zonder hun innig, gelukkig zalig-zijn te kunnen uiten.

Eindelijk een krachtige handdruk van den pastoor, van den burgemeester, van den schoolmeester, eveneens stilzwijgend gegeven, toen ook Marianne, die hem hare hand toestak, met tranen in de oogen, met van aandoening bevende lippen.

„Wie is et, Marianne", vraagt de jonge officier verwonderd, zonder de hem aangeboden hand aan te nemen.

„Wat meint geer hiërf'

„Paks te mich neet mië, pront wie vreuger, Marianne V

„Oh, es ich dat nog zou maoge doou" en tegelijkertijd slaat ze haar armen om zijn hals, eveneens hard uitsnikkend haar geluk aan de borst van den jongen man, dien zij, in zijn jeugdig moederloos zijn, heeft verzorgd en opgevoed, dien zij immer heeft liefgehad als haar eigen kind.

Nog enkele handdrukkeu aan Pierre, aan Jeanc

Sluiten