Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die enkele gebalde vuist, steunend op de tafel, iu die geheele houding is iets, dat ons stemt tot een weemoedigen angst; werktuigelijk voelen wij, dat de woorden van den vader, in weerwil van zijn hoogmoed en blijdschap, geen vreugdevolle .juichtonen zullen zijn.

Stil, roerloos zitten wij, de oogeu strak op hem gericht.

„M'n jongen, m'n eenig kind" begint hij eindelijk met van aandoening trillende stem, hol klinkend in de ruime zaal, „ik heb je zoo dikwijls verteld van hem" — en de eenige arm met uitgestrekten voorvinger wijst naar het portret bij het venster, „van hem, Herman Scravendisch; ik heb je verteld en jij hebt het zelf in dat boek daar gelezen, hoe hij, eenmaal het hoofd van ons roemrijk geslacht, aan zijne vorstinne, aan Ermengarde. hertoginne van Limburg, trouw en houw heeft gezvvoren en niet alleen voor zich zeiven, maar tevens in naam van al zijn magen en bloedverwanten; ik hel) je verteld hoe hij en de zijneu dien eed hebben gestand gedaan; hoe hij, aan dat gegeven woord getrouw, voor haar heeft gestreden; hoe hij met en te midden der zijnen voor haar is gevallen; hoe hij is gestorven den dood der edelen, der dapperen.

„'t Is lang geleden, meer dan zeshonderd jaren; veel is veranderd in den loop dier eeuwen en toch ook weer veel hetzelfde gebleven; veel van het verleden vertegenwoordigd in het heden.

„Evenals „hij," ook „jij" een „Herman" Scravendisch, evenals toen, ook thans weer eene vrouw op

Sluiten