Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruitstekenden berg gevormd, langzaam zich voortbeweegt tusschen de spoorstaven.

„Jaases Marante Deius nog" en Hoeber Winkels werpt neer de zeis; de vuisten krampachtig gebald, het hoofd omlaag, hollend met hoog opgetrokken knieën over liet stoppelveld.

Schrikstijf, starend met groote wezenlooze oogen zijn de anderen blijven staan; geen geluid, geen zucht; zij ademen zelfs niet meer.

Dan een gejuich der mannen, een „(iod dank" door de vrouwen gepreveld uit diephijgende borst.

Hun kameraad is vlak hij het wicht; hij grijpt het reeds; het zwart glinsterend stormend gevaarte nadert hem meer en meer, maar de machinist heeft het gevaar reeds ontdekt; zijn hand heeft het remtoestel gegrepen; nog een seconde en beiden zijn gered.

Nieuwe smartkreten luid weergalmend in de lucht.

Vlak voor de locomotief is hij gestruikeld, het kind steeds gekneld tegen zijn borst.

Nog enkele kort ineengedrongen x'ookwolken, snel na elkaar uit de zwarte stoompijp; een dreunend rammelen, een met woedend geweld tegen elkaar stooten der wagens; nog enkele schokken, die doen trillen den grond en de trein staat stil. Hoeher Winkels is niet opgestaan.

Een koude rilling door de lichamen der toeschouwers; vloeken en Godsaanroepingen in snelle dooreenmengeling.

Dan schier tegelijktijdig een woest voorthollen van allen naar de plaats, waar hij gevallen is.

Zij vinden hem, liggend naast de rails, het kind

Sluiten