Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren kommer doet. Dan, wanneer wij alle aanspraak op erbarming missen, ons zelf de oorzaak onzer ellende weten, — blijft ons niets tot redding over dan Hij, Die om onzentwil aan zulk een toestand Zich onderwierp. Hij, dóór en dóór kent Hij ons, terwijl Hij alleen de uitkomst in Zijne hand heeft. En ons aangaande, blijft niets over in het hongerlijdende Samaria, dan wat die vier melaatschen voor de deur der poort zeiden: „Wat blijven wij hier, totdat wij sterven? Indien wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zoo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven." (2 Kon. 7 vs. 4.) Het heeft hun niet berouwd, dat zij zichzelven opgaven; zij zijn getuigen van goede boodschap geweest, Zie, God is niet arm, maar Bezitter van alles, zoowel als Bestierder van al wat ook met vrees en beven ons vervult. Niet Hij heeft ons, maar wij hebben onszelf tot armoede in alle opzichten gebracht.

Let wel. Wij waren eens rijk; woonden in een rijk, o zoo rijk land, een gezond en voorspoedig land, dat zijne inwoners niet verteerde; een goudrijk land, waar de Goddelijke koninklijke vrijheid gelukkig deed zijn. Het woord des levens heerschte daar; het deed al het geschapene, ook den mensch gedijen. De Koning des lands werd gekend aan den wind des daags, en het voordeel des aardrijks was voor allen. Daarmede gaf Hij blijk van Zijne goedertierenheid in alles, omdat Hij goedertieren is. En om dit in waarneembaren vorm te toonen aan Zijne onderdanen, zeide Hij: „Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten, maar van den boom der kennis des goeds en

Sluiten