Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

armen ondersteunden, en waarvan de herinnering door een altaar vereeuwigd werd. Wat is natuurlijker dan het vermoeden, dat het de heerlijke oase van Pharan was, die Israël na het vertrek uit Raphidim, op de Amalekioten te veroveren had? Even vóór men de oase bereikt, heeft men links, d. i. noordwaarts, een hoogen steilen berg, dien wij met moeite aan de zuidzijde beklauterden, en waar wij op den hoogsten top de overblijfselen van eene zeer oude kerk vonden.

Reeds in de vierde eeuw vinden wij deze kerk vermeld in de Peregrinatio, die tot onlangs zoo goed als algemeen aan de II. Silvia werd toegeschreven, doch waarschijnlijker het werk is van de Spaansche non Etheria u). Het was de plek, zoo meende men ook destijds, waar Moses gebeden en later een altaar gesticht had. Op den top werd het ons mede duidelijk, dat Moses, van het westen komende, den berg aan de westzijde beklimmen kon, — waar thans nog een oud pad herkenbaar is.

Die oase van Pharan blijft mij onvergetelijk. Van een herinneringsblad in mijn dagboekje luidt de aanhef:

Pharan, eeuwig jonge schoone !

Wie zou ooit uw beeld vergeten,

Die u eenmaal mocht begroeten,

In uw lieflijk dal gezeten ?

In den zomer manna lezend

Van uw groene <ar/abosschen, IS)

In het najaar schatten garetid Van uw gouden dadeltrossen;

Spelend in de morgenkoelte

Langs uw heldren waterspiegel,

Sluimrend bij de middaghitte Onder palmenloofgewiegel;

Straks — als vroeg reeds de avondzonne

Schuil gaat achter hooge kruinen —

Droomend van uw lang verleden,

Mijmrend bij uw grijze puinen!

Sluiten