Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem voldoende om te gissen, dat ook het onderstelde maanheiligdom naar dien naam genoemd werd, en dus eenige gelijkenis met den naam van den berg Sinai vertoonde. De naam van het „heiligdom" — wordt verder gegist — was ook in Palestina bekend, — en voor een onbekenden schrijver in de 8e eeuw voor Christus was die naam dan voldoende aanleiding om niet alleen den Sinai tien dagreizen ver naar het zuiden te dragen, maar bovendien om eene uitvoerige beschrijving van den tocht der Israëlieten van de noordpunt der Roode Zee naar den nieuwen Sinai (of wil men liever: naar het heiligdom van „Sin"?) eenvoudig uit zijn duim te halen. En die onbekende schrijver in Palestina zou daarbij van het landschap, dat gemiddeld over de honderd uren verwijderd was, zoo goed op de hoogte geweest zijn, dat we thans, na 2500 jaar, den weg dien hij de Israëlieten laat volgen in hoofdzaak nog zonder moeite terugvinden. Was hij wellicht een aanbidder van den maangod, die eene bedevaart van over de honderd uur naar het heiligdom van „Sin" gedaan had? Maar hij schrijft immers een boek ter eere van Jahwe en laat Jahwe verschijnen op den berg van „Sin." En bij al zijne aardrijkskundige kennis en zijne nauwkeurigheid in het gebruik daarvan, zou hij van geschiedkundige nauwkeurigheid zoo weinig begrip gehad hebben, dat hij zich niet ontzag om geheel den tocht van Israël door het schiereiland uit de lucht te grijpen.

Kortom, geheel de onderstelling is een kluwen van onwaarschijnlijkheden. Indien er omtrent de ligging van den Sinai in oud Israël twee uiteenloopende overleveringen bestaan hadden, zou die van den zuidelijken Sinai zeker niet de jongste en minst betrouwbare zijn.

Maar ook de gronden, waarop wij het bestaan dier dubbele overlevering hoorden betoogen, vallen bij eenigszins nadere beschouwing in minder dan puin. De vraag of men met recht Ex. 15, 22 van de volgende verzen afscheidt en aan eene andere bron toeschrijft, kunnen we hierbij

Sluiten