Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebod Zich zeiven de eer verzekerde die Hem toekomt — indien zij werkelijk die eere waardig waren ? Indien Hij in die „andere goden," om het zoo eens te zeggen, zijne medegoden had gezien? Was de vereering, door andere volken hun gebracht, de vervulling van een plicht, waarom was zij dan zonde voor Israël ? Waren de zon en de maan en de overige natuurkrachten voor Israël niet even weldadig als voor zijne naburen ? Eén van beide: men moest den God van Israël eene blinde, onredelijke, zelfs den mensch niet betamende ijverzucht toeschrijven, of tot de gevolgtrekking komen: de goden der heidenen zijn geene goden, dien naam waardig, zij verdienen geen goddelijke eer; zij mogen in werkelijkheid bestaan of niet bestaan: godheden zijn ze niet; er is geen andere God dan Jahwe. En die redeneering klemde te meer, wijl in het „hebben van andere goden voor Jahwe's aangezicht" nog meer rechtstreeks de inwendige erkenning hunner godheid dan de uitwendige eeredienst veroordeeld werd. Zóó was wel is waar in het eerste gebod uitdrukkelijk slechts de eisch van monolatrie gesteld, maar, in verband vooral met de andere geboden kon de Israëliet, die Jahwe als God erkende, de leer van het monotheïsme daaruit zonder moeite afleiden.

Aan professor Eerdmans, hebben wij boven gezegd, komt de eer toe, de hoofdzaak van de tien geboden, in tegenstelling met de meesten zijner geestverwanten, weer tot Moses' tijd te hebben teruggebracht. Doch wij hebben er bijgevoegd: „met velerlei beperking en voorbehoud." En werkelijk bij geen anderen criticus zag ik den decaloog zóó onbarmhartig afgetakeld. Drie van de tien „woorden": het verbod van afgoderij, het sabbatgebod en het voorschrift van vader en moeder te eeren, worden er eenvoudig uitgelicht, zonder dat ook maar met één woord eene poging beproefd wordt om van die willekeur rekenschap te geven. De verklaring der zeven overige „woorden" komt bij hem in het kort hierop neer. Eenige Bedawienenstammen hebben een ver-

Sluiten