Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen de veronderstelling van een justitia originalis en een status integritatis.

Andere bezwaren voegen zich by dit eerste.

Nergens heeft men tot lieden in de historie der menschheid eenig spoor van zulk een staat der volkomenheid kunnen ontdekken. Hoe verder men in het verleden doordringt, hoe meer men op primitieve, barbaarsche toestanden stuit.

Van grooten invloed op geheel deze kwestie is het ontstaan der bybelcritiek geweest.

Zoolang als men in de H. S. de onfeilbare oorkonde ook van historische berichten uit het verleden zag, kon men met betrekking tot den val des menschen volstaan met een beroep op Genesis III. Wat er ook tegen dit leerstuk kon worden ingebracht, Gen. III stelde de zaak buiten discussie. Hier had men immers een door God zelf geschonken, althans door God gewaarmerkte mededeeling omtrent den oorspronkelijken staat des menschen.

Voor een ieder, die, als steller dezes, in beginsel de bybelcritiek heeft aanvaard, is dit een onhoudbaar standpunt geworden. Een aanhanger der critiek kan by het leerstuk van den val des menschen niet volstaan met een beroep op Gen. III.

Deze toch weet, dat er in de H. S. veel is, dat historie lijkt, maar geen historie is. Het ons als ingeschapen historisch besef ontbrak Israël. Israël ging vrij om met het verledene. Het maakte historie dienstbaar aan prediking. Ter verklaring van een toestand uit het heden werd dikwijls een antecedent in het verleden gefingeerd. Godsdienstige of zedekundige waarheden werden menigmaal in den vorm van een verhaal voorgedragen. Zoo is het mogeiyk, dat Gen. III niet anders is dan een beschrijving in zinnebeeldigen vorm van de wijze, waarop een mensch in het algemeen tot zonde komt. Misschien is Gen. III niet anders dan een stuk overlevering, van elders tot Israël gekomen, en Jahvistisch omgestempeld.

Allerlei mogelijkheden bestaan hier.

Daarom is het onmogelijk, Gen. III eenvoudig als locus

Sluiten