Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God, die den mensch niet zoo toegerust had, dat het doen van Zijn wil mogelijk was. Deze veronderstelling nu is ongerijmd.

Er was dus bij den eersten mensch van Gods zijde gemeenschap met God. Dit was het eenige gerealiseerde element van de volkomenheid des menschen.

Overigens was zijn toestand een mogelijkheid, een mogelijkheid evenwel, waaraan een zijn ten grondslag lag. ')

Wil men in één woord dezen toestand weergeven, dan zou ik van rustende volkomenheid willen spreken.

Welk woord men overigens gebruikt, is vrij onverschillig. Wil men het woord onschuld gebruiken, wil men van aanleg spreken, het is mij om het even, mits men maar nimmer uit iiet oog veilieze, dat het door God bedoelde — en voorzoover dit met den aard van het zedelijke als het' zich zelf ïealiseerende leven mogelijk is — wezen des menschen volkomenheid is.

Hiel ligt eigenlijk de kwestie. Kaftan spreekt b.v. telkens van het „Volkommenheitsideal" des menschen. Voorzoover hij hieimede bedoelt, dat de mensch zijn zedelijk wezen eerst in verhouding met anderen kan ontplooien en tot volle ontwikkeling brengen, heb ik tegen deze uitdrukking geen bezwaar, maar wanneer hij er mede zeggen wil, dat volkomenheid niet het wezen des menschen is, verschil ik beslist van hem.

Een mensch is krachtens de hem van God geschonken natuur tot volkomenheid gehouden.

Volkomenheid m. a. w. is geen ideaal, maar wet. In het onderscheid van deze beide woorden treedt, wat ik bedoel in

') Ook Bavinck gaat in den grond niet verder dan een mogelijkheid van volkomenheid. Zoo schrijft hij (iGereformeerde Ihigimitiek, II, hlss. 557, 1 editie) „Adam echter had dit hoogste nog niet; hij had nog niet het eeuwige leven; hij ontving wel liet posse stare, maar niet het veile stare, wel het posse si vellet, maar niet het veile, quod posset, hij had het posse non errare, peccare, mori, maar nog niet het non posse errare, peccare, mori."

Sluiten