Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft den mensch kennis van wat voor hem goed en kwaad is onthouden.

Doch hoe kan nu met deze opvatting van den boom der kennis des goeds en des kwaads verbonden worden de gevolgen, die voortvloeiden uit liet eten van dien boom, uie in Oen. III meer verondersteld, dan genoemd worden nl. de geslachtsgemeenschap en het daarmede gepaard gaande gevoel van schaamte?

Schijnbaar hebben beide niets met elkander gemeen.

Toch is dit slechts schijn.

De mensch eet van den boom der kennis des goeds en des kwaads d. i. de mensch emancipeert zich van God. De mensch wil zijn eigen God zijn, zijn eigen lot in eigen handen hebben.

Maar zoodra de mensch dit doet, krijgt het zinnelijke in hem de overhand over het geestelijke. Alleen in de gemeenschap met God kan de mensch heerschen over zijn lagere natuur. Nu de gemeenschap met God er niet meer is, heerscht hij niet meer over zich zeiven en wordt hij onderworpen aan den zinnelijken lust. Het evenwicht is in hem verbroken. De mensch valt af van de hoogte, waarop hij stond. Van mensch, van vrije, zich zelf bepalende persoonlijkheid, wordt hij nu slaaf, dier. Hij is koning af. Op dit standpunt komen wij dus tot de conclusie, dat zinnelijke begeerlijkheid de eerste openbaring van de zonde is geweest.

Ik zeg met nadruk, dat zinnelyke begeerlijkheid de eerste openbaring van zonde is geweest.

De zonde zelve ligt dieper. De zonde zelve is hoogmoed, teugellooze hoogmoed, willen zijn als God, middelpunt willen zijn.

Op allerlei manier, in duizend gestalten kan en zal die zonde zich openbaren, maar haar eerste openbaring is overheersching van het lichaam over den geest.

De vleeschelijke lust is slechts een uitlooper van de diep in den mensch geboren zonde. Met deze zonde treedt het kwade in de sfeer van het klaar bewuste.

Zoo worden wij ons immer eerst in de openbaringen van

Sluiten