Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keuriger dan de wijze van uitdrukken, waaraan men zich thans went. Ware het vermogen om de tegenwoordigheid Gods te ervaren ooit zonder die ervaring denkbaar, m. a. w. kon God Almachtig ooit een oogenblik ophouden den glans Zijner majesteit af te kaatsen in de scheuren onzer ziel, dan ware ongetwijfeld het spn'ken van zulk een aangeboren vermogen, onderscheiden van de aangeboren Godskcnnis, gewettigd. Nu daarentegen dat onderstelde niet ondersteld worden kan, ja het onderstellen zelf er van reeds indruischt tegen den eersten eisch van het vroom gevoel, en dientengevolge het vermogen om God te kennen, eerst in de meegedeelde, uitgestraalde Godskennis waarneembaar wordt, is aangeboren Godskennis de eenig goede, den eisch der vroomheid bevredigende en derhalve der Godsgeleerdheid passende uitdrukking, die in de Belijdenis der Christelijke gemeente geschreven dient te worden. Wie van het vermogen om God te kennen spreekt, doolt af op de paden, door onze wijsgeeren geëffend; de Kerk die belijden wil, wat ze niet door haar peinzen uitgedacht, maar krachtens de veelzijdige openbaring Gods ervaren heeft, wijst op het feit, of de werking, op den majestueusen indruk van 's Heeren alomtegenwoordig aanzijn, en verklaart aan de wereld, haar in de conscientie grijpend, dat er in een iegelijken mensch, uit een vrouw geboren, aangeboren natuurlijke Godskennis bestaat".4)

Bij de speciale behandeling van de ingeschapen kennisse Gods bepaaldelijk op Theologisch gebied, kan het niet ondienstig zijn ook even te herinneren hoe het met deze kwestie in het algemeen staat, opdat de onhoudbaarheid van het Empirisme duidelijk blijke, dat in de ervaring de eenige bron onzer kennis ziet. Professor Woltjer schreef: „Vrij algemeen is echter sedert Hobbes en vooral sedert Locke de meening,

1) Dr. A. Kuyper, Uit het Woord, Eerste Serie, 3e Bundel, stuk III, p. 31, 32.

2) Dr. J. Woltjer, Ideëel en Reëel, p. 50, 51.

Sluiten