Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevaar meer te duchten valt. Om wille van het belang der maatschappij is tegen hen opgetreden, de bemoeienis met hen mag dan ook niet eindigen zoolang dat belang ze nog vordert.

Voor eene richtige toepassing van het strafrecht naar de eischen van het tegenwoordig standpunt dier wetenschap moet de rechter thans derhalve in staat zijn met juistheid te beoordeelen of de geestelijke vermogens van een beklaagde al dan niet, zij het ook maar in geringe mate, abnormaal fungeeren.

Hoe kan hij nu hiertoe geraken ? Het antwoord, dat op deze vraag onmiddelijk voor de hand ligt, luidt natuurlijk: door het raadplegen van deskundigen. Zoo is dan ook steeds, en al lang vóór Lombkoso, de praktijk geweest. Sedert nu evenwel de bovenvermelde leer omtrent de misdaad als ziekteverschijnsel bij de psychiaters is gaan heerschen, kan de rechter nog maar in beperkte mate hun advies vertrouwen. Veel gevaar bestaat er nu dat de psychiater, zij het ook maar eene zeer beperkte, als halve of gedeeltelijk toerekenbaarheid aangeduide, geestesstoornis zal aannemen, daar waar die toch in werkelijkheid niet aanwezig is, en hierdoor den rechter in eene groote moeilijkheid zal brengen.

Om die reden kan ik dan ook het door den Amsterdamschen hoogleeraar Mr. Van Hamkl op de vermelde bijeenkomst van 16 Februari 1907 gezegde niet toestemmen, dat de juristen bovenal voorlichting noodig hebben van psychiaters. c Zeker» zeide daar die hoogleeraar « ook van de « psychologie; maar toch wel van de psychiatrie in het bizonder. «Want de menschcn van wie de maatschappij den meesten « last heeft en met wie de juridische machten dus het meest «in aanraking komen, zijn de abnormalen. Het geldt de «maatschappij te beveiligen tegen hun onverstand en hen « zeiven te beveiligen tegen de onkunde der machthebbenden. «Waartoe die onkunde leiden kan leert meer dan iets de « geschiedenis van het strafrecht.»

Het wil mij wel voorkomen als zouden hier twee opvattingen

Sluiten