Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedankbrief; hoorde verder niets; de vervolging bleef dezelfde, en daarop meende ik in Julij openlijk er tegen te moeten protesteren. Den Koning verlof ter uitgave te vragen, daar heb ik niet aan gedacht; ik heb altijd, ook als Kabinetssecretaris bij de uitgave der Nederlandsche Gedachten, daaromtrent mijne volkomene vrijheid bewaard. Den Koning een termijn te stellen waarna ik zoo er geene verandering kwam, mij tot het publiek wenden zou, scheen mij eene min gepaste bedreiging. Sommigen hebben het mij zeer ten kwade geduid dat ik niet gewacht heb tot dat de zaak bij Eeredienst en Justitie was onderzocht; maar men heeft mij niets hoegenaamd berigt van die toezending mijner vertrouwelijke Memorie naar de Departementen; eerst in Julij, toen het stuk reeds gedeeltelijk gedrukt was, heb ik zulks geheel toevallig vernomen; na drie maanden was mijn opstel in Julij eerst bij het Ministerie van Justitie gekomen; bij de bekende omslagtigheid had het onderzoek daar en elders althans nog verscheidene maanden kunnen duren, en dat voor eene zaak als de inlegeringen, waarvan de ongeregtigheid waarlijk geen langdurig betoog behoeft. Ook toont de tegenwoordige handelwijs van het Gouvernement wat er van dat onderzoek zou te wachten zijn geweest. Mijne handelwijs, die men ligt op eene hatelijke wijs kan voorstellen, komt dus eigenlijk hierop neder dat ik, in eene, mijns inziens, hoogstbelangrijke zaak de vrije drukpers ter verdediging van verdrukte land- en geloofsgenooten heb gebruikt; doch niet dan na twee jaren gezwegen, — na drie maanden het Gouvernement in de gelegenheid tot opheffing van zijne maatregelen te hebben gesteld. — Ik heb mijne brochure met eene beleefde Missive aan Z. M. gezonden, doch ben daarna niet op de gewone Audientie geweest; omdat ik gevoelde dat ik, bij eene onaangename bejegening, zeer ligt, óf te weinig óf ook te veel zou kunnen zeggen. — Ziedaar eene mededeeling eigenlijk voor u, doch waarvoor (lees: waarvan) gij toch ook, bij voorkomende gelegenheden, in 't algemeen wel eenig gebruik zult kunnen maken, ook zonder juist in alle bijzonderheden te treden. Gij zijt de eerste aan wien ik er zóó uitvoerig over schreef. Ik weet dat de bron van uw vragen belangstelling en geen nieuwsgierigheid is!

Na de ontvangst en de lezing van het geschrift zond

Sluiten