Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikwijls het noodig of nuttig schijnt, ter zijde gelegd, op grond eener, bij hen die de magt in handen hebben, geconcentreerde Volkssouvereiniteit.

Zóó ging het mede in Nederland ten aanzien van den Staat, waaromtrent het ons oogmerk niet is hier iets verder te zeggen; zóó ging het hier ten aanzien ook van de Kerk.

De Gereformeerde Kerk of liever (want het is hier geene zaak welke uitsluitend die Kerkgemeenschap betreft) de Christelijke Kerk ondervond die toepassing, toen, bij het invoeren van de Grondwet, de gelijkstelling der Godsdiensten afgekondigd werd. Wel is waar de bepalingen der Grondwet schijnen voor Christelijke uitlegging vatbaar te zijn. Zij sluiten den voorrang van het Christendom, de pligtmatige onderwerping aan het Evangelie niet stellig uit: ook was het billijk dat de verdraagzaamheid, die steeds de roem van Nederland was geweest, na al het gebeurde, uitgeoefend wierd op eene nog ruimere schaal; volkomene vrijheid van Godsdienstoefening, omdat het Evangelie geen gewetensdwang duldt; gelijke ondersteuning der bestaande Gezindheden, omdat het verkregene regten niet veracht, maar beschermt. Doch zoo wij vragen, niet hoe de Grondwet kan worden uitgelegd, maar welke inderdaad de meening der ontwerpers is geweest, dan is de uitkomst verschillend. De Grondwet heeft, noch onderwerping aan het Evangelie, noch enkel Evangelische verdraagzaamheid bedoeld. Wel daarentegen afscheiding van Kerk en Staat, zoodat ten aanzien der Regering het Christendom op ééne lijn met de valsche Godsdiensten geplaatst is; zoodat het Evangelie, wel verre van verbindend te zijn, niet langer als rigtsnoer van het Staatsbestuur mag worden gevolgd. Zoodanige gelijkstelling is, gelijk men in Frankrijk te regt aangemerkt heeft, de ongodisterij der wet; zij is verwerping van het Evangelie, aan hetwelk Europa, en in t bijzonder Nederland, de beste zegeningen van het maatschappelijk bestaan, welvaart en bloei, ook vrijheid en verdraagzaamheid hebben te danken gehad ; van het Evangelie, tot prediking van hetwelk ieder in zijn stand en in zijn kring is gehouden; verwerping van Gods uitgedrukten wil, voor de naleving waarvan Vorsten en Volken, evenzeer als bijzondere personen, verantwoordelijk zijn.

Die soort van gelijkstelling wordt niet ontkend, en zulks

Sluiten