Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo is het in het Kerkgenootschap gegaan; en wanneer wij nu hierop en op hetgeen over Kerkvrijheid en Kerkbestuur gezegd is, terugzien, dringt zich de gedachte onwillekeurig op: hoe heeft dit, waartegen vroeger de gansche Geestelijkheid en het grootste deel der natie zou opgekomen zijn, plaats kunnen hebben? Van waar, bij eene blijkbare strekking om de Kerk in onderwerping en het Kerkgeloof in vergetelheid te brengen, dat stilzwijgen, dat hulpbetoon van velen, waarvan sommigen voor de leer, meerderen nog voor de regten der Kerk niet geheel onverschillig schenen te kunnen zijn 1

Meer dan ééne reden heeft medegewerkt tot lijdelijke berusting in de handelwijs van het Gouvernement. Men verplaatse zich slechts in de heugelijke tijden van Nederlands herstel; dat is, juist in die jaren toen de grondslagen der organisatie van Staat en Kerkgenootschap werden gelegd. Elk een was aan lijdelijkheid gewend. Elk een, na uit vrees lang gezwegen te hebben, was, onder het huis van Oranje, tot zwijgen uit eerbied en uit liefde gereed. Om geen schijn aan den dag te leggen van wantrouwen in de wijsheid van het Bestuur, werd naauwelijks eene raadgeving, eene bedenking geuit. Bij de vreugde van het oogenblik, was menigeen voor de toekomst onbezorgd. — Bovendien was ook de werking der dwaalbegrippen omtrent het Staatsregt niet gering. Men leefde in eene Monarchie, doch had geen denkbeeld van een niet-revolutionair eenhoofdig gezag. De geheele omwenteling scheen enkel in persoonsverandering te bestaan. Het was dezelfde soort van Staatsbeheer die voortgezet werd. Onder de zachtere hand van een echt-Nederlandschen Monarch was des dwingelands ijzeren schepter een weldadige Rijksstaf geworden; een ander Staatsopperhoofd, zóó bemind als zijn voorganger gehaat was geweest, dit, meende men, was het gewenschte resultaat, terwijl de Staatsvorm onveranderd bleef. Door het behoud van revolutionaire begrippen werd bij voortduring echte vrijheid, even zeer als ware gehoorzaamheid, miskend. Alle oppositie, ook uit de beste beginsels ontstaan en in de meest enge grenzen beperkt, werd in de eerste jaren (later was men genegen tot een ander uiterste over te slaan) als onbetamelijke, bijna als misdadige wederstreving beschouwd. Hoe zou het bestuur niet ligt in die denkwijs van het Publiek hebben gedeeld! Een bewijs

Sluiten