Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze, in hunne geloofsbelijdenis, zich met gene volkomen vereenigden, als broeders van één en hetzelfde huis. Hier kwam bij, dat in Frankrijk eenige hervormde gemeenten over eene zeer groote uitgebreidheid van grond verstrooid waren, te midden van een ongelijk veel talrijker andersgezind godsdienstgenootschap. In de nederlanden daarentegen maakten de hervormde gemeenten, bijna overal, digt aan eikanderen zich sluitende, het grootste gedeelte uit van de bevolking. Ten derde, wanneer de oude nederlandsche kerkorde plaats moest maken voor eene andere, hoe goed ook deze in haren aard zijn mogt, zouden buiten allen twijfel daaruit allerhande nadeelige gevolgen moeten ontspruiten."

Tot dusverre de aanhaling, waarbij nog moeten worden gevoegd de volgende mededeelingen der geleerde schrijvers. „Deze memorie, te Parijs ingeleverd zijnde, bleef daar liggen zonder dat men er eenige aandacht op scheen te willen vestigen (500)". „Met den aanvang van het jaar 1811 werd alles, wat het politieke betrof, zonder verwijl, op eenen franschen voet geregeld en ingerigt. Maar aan de belangen van den openbaren godsdienst werd niet gedacht. Gedurende dat geheele jaar bleef de protestantsche kerk in eenen staat van volkomene onzekerheid (501)". „Zulk een trage voortgang of liever stilstand begon eindelijk den edeldenkenden Janssen, toen chef der divisie bij D'Alphonse" — intendantgeneraal van binnenlandsche zaken — „zeer te vervelen .. . Eene warme zucht voor de belangen der protestantsche kerk zijns vaderlands, tot nog toe door het gouvernement zoo schandelijk verwaarloosd deed hem in zijn adres aan den hertog van Plaisance, den gouverneur generaal of 's keizers stadhouder deze rondborstige taal voeren. „Voor al de takken van bestuur heeft men intendanten en direkteurs benoemd. Alleen voor den eeredienst heeft men niets gedaan. Niet eens heeft men er aan gedacht, om dien op het budget van het jaar 1811 te brengen. Op al de verzoeken, op al de aanvragen, over dit allerbelangrijkst onderwerp, of aan de prefekten, of aan den minister (te Parijs) gedaan, ontvangt men zelfs geen antwoord (503)."

Het advies van den Raad van State, waarop Groen het oog heeft (bladz. 22) is thans nog de aandacht overwaardig, en de genoemde bladzijde van Y. en D. geven wij daarom met de volgende onverkort. — Allereerst had, den 26 van

Sluiten