Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Menige alledaagsche ervaring komt eerst zóó tot bewustzijn, dwingt eerst onder dezen invloed tot nadenken. Dit nadenken leidt tot studie, en studie tot beschaving. En wanneer hier en daar in wetenschappelijke werken de gang der redeneering door een aangehaalden dichtregel wordt onderbroken, dan is dit niet te doen om een bloemrijken stijl, maar om een dankbare waardeering van wat door den dichter voor de wetenschap werd gedaan.

Het geheele probleem der erfelijkheid draait in hoofdzaak om de vraag naar het aandeel van den vader en de moeder aan de eigenschappen van het kind. En dit aandeel is door Goethe omschreven in de bekende versregelen:

Vom Vater hab' ich die Statur,

Des Lebens ernstes Führen;

Von Miitterchen die Frohuatur Und Lust zu fabulieren.

De eene eigenschap heeft een mensch van zijn vader, de andere van zijn moeder. Ziedaar het feit. En ziedaar tevens de leiddraad, die door de geheele leer van feiten en van celkernen loopt, en die maakt dat een iegelijk, die dezen draad wil volgen, tot een dieper, en naar ik vertrouw, alleszins bevredigend inzicht in de beteekenis der celkernen en in de uitkomsten deiproeven over bevruchting en bastaardeering kan indringen.

Het zij mij vergund te trachten, het volgende daarbij tot gids voor den oningewijde te doen strekken.

Het beginsel, door Goethe uitgesproken, is een beginsel van dualiteit. Slechts in schijn is elk mensch ten opzichte van het probleem der erfelijkheid, een eenheid. In zijn binnenste is hy een dubbelwezen. Naast elkander liggen in hem de erfstukken van zjjn vader en van zyne moeder. Nu eens werken zy samen, dan weer weer werken zij elkaar tegen, nu eens overheerscht het eene, dan weer het andere. Een ieder, die de

Sluiten