Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dainsche Kamer van Koophandel werd door mij en anderen herhaalde malen gewezen op de noodzakelijkheid van eene geheele herziening en aanvulling van dit onderdeel onzer wetgeving en met genoegen las ik in de Memorie van Antwoord op het Yoorloopig Verslag in de Eerste Kamer op de Staatsbegrooting, de toezegging van Z.Exc. den Minister van Justitie, dat de herziening van ons Zeerecht spoedig ter hand zal worden genomen.

Toch komt het mij gewensclit voor omtrent één onderwerp, dat m. i. dringend wettelijke regeling behoeft, mijne denkbeelden te ontwikkelen, omdat het een onderwerp is, in niet één buitenlandsche wetgeving opgenomen, evenmin als in de onze.

Ik bedoel het zoogenaamde Door-Cognossement.

De tijden veranderen; nauwelijks is eene wet tot stand gekomen, of gewijzigde omstandigheden, nieuwe behoeften en daaruit ontstane gebruiken , zouden aanvulling of verandering van die wet gewenscht maken.

Zoo was de handels-wetgeving van 1838 voldoende voor dien tijd, maar al spoedig kwamen er veranderingen in de wijze van handeldrijven, vooral in de wijze van vervoer, en er ontstonden nieuwe gebruiken bij den handel, die eindelijk burgerrecht hebben verkregen en slechts op hoognoodiffe codificatie wachten.

Reeds lang geleden heeft het vervoer op door-cognossement de aandacht vau juristen getrokken, ik noem slechts Schlodtmann, Voigt, Lewis , A. J. Bik (Dissertatie „Iets over Doorloopende Cognossementen, Leiden 1882), Mr. B. C. J. Loder en Mr. J. A. Levy (men leze de Praeadviezen van de twee laatstgenoemde rechtsgeleerden in de „Handelingen" der Nederlandsche Juristen-Vereeniging, 1885) en anderen.

Mr. Loder , na eene hoogst belangrijke uiteenzetting van de gevaren aan het vervoer op door-cognossement voor inladers-ontvangers verbonden, kwam (het was in 1885) tot de conclusie, dat aan wettelijke regeling van het door-

Sluiten