Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huizen van ontucht, — een materie, waarin volgens velen door den Rijkswetgever behoorde te worden voorzien, — gaf de Gemeenteraad van Amsterdam het voorbeeld en handhaaft de gemeentepolitie dit verbod met kracht en kennelijk succes.

De feiten en toestanden, waarvoor adressante in de toelichting op dit adres Uwe aandacht vraagt, zijn van zoo ernstigen aard, dat adressante onthouding der overheid in deze noodlottig acht. Want wel meent de Commissie voor de Strafverordeningen, dat de door ons aangeduide feiten gedeeltelijk vallen onder het begrip „openbare schennis van de eerbaarheid," en alzoo onder bereik der art. 239, 240 en 451 Wb. v. Str., maar tot heden is nog geen enkele veroordeeling van personen, die zich aan bedoelde feiten schuldig maakten, op grond van een der genoemde artt. te onzer kennis gekomen.

Redenen, waarom adressante Uwen Raad dringend verzoekt terug te komen op Uw besluit van 26 Sept. 1902, en alsnog tot de door adressante verzochte aanvulling der Alg. Politieverordening over te gaan, waardoor, bij krachtige toepassing en steun door het uitvoerend gezag, naar de meening van adressante, veel zal kunnen worden bijgedragen tot beteugeling van de door ons in de toelichting op dit adres nader aangewezen, zeer verderfelijke toestanden.

AMSTERDAM, 24 Juni 1907.

HET BESTUUR DER AFDEELING:

Dr. J. Lammerts van Bueren, Voorzitter.

B. Th. de Wolf.

A. Polak Jzn.

Dr. H. Pinkhof.

A. P. W. J. van Stipriaan Luiscius.

G. Velthuijsen Jr.

F. J. A. M. Wierdels.

Sluiten