Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de letter h niet volkomen meester is; die niet met kracht en klank kan lezen en spreken. Kennen mijn leerlingen dat alles, dan begin ik aan zoogenaamde overgangsoefeningen, oefeningen, die het midden houden tusschen spreken en zingen. Wanneer ze dat alles kennen, dan hebben zij het voordeel, dat ze bijv. niet jarenlang alle oefeningen met pa, fa of la moeten beginnen, omdat ze den zachten toonaanzet op een vocaal bij het spreken geleerd hebben ; ze leeren veel gemakkelijker op alle vocalen zingen; ze hebben dadelijk, door hun uitstekend geoefenden adem, een steun voor den toon en knijpen daardoor niet; met hun geoefende buikspieren maken zij den toon, evenals bij het spreken, zonder eenige inspanning van keel of borst krachtig en vol, terwijl de kracht van diezelfde buikspieren de tonen op de juiste plaats brengen. Het zingen van vlugge passages leert men met dien krachtigen steun veel eerder en beter; men loopt dan de kans niet, dat de tonen als grauwe erwten door elkander rollen. En iedereen zal begrijpen, dat ook het mezza voce zingen oneindig gemakkelijker en sneller zal gaan. De meesten toch hebben met het piano zingen zooveel moeite, omdat de toon te veel in de keel zit en geen résonnance genoeg heeft, niet hoog genoeg zit en klinkt. Als ik over résonnance spreek, dan bedoel ik niet zooals de heer Spoel schrijft, „het resonneeren van den toon tegen het harde gehemelte," maar ik bedoel het meeklinken, het resonneeren van de resonnansholten: de borstkas, de neus-, voorhoofds- en, in mindere mate, de wiggebeensholten. Evenals mej. V. O. spreek ook ik niet over registers en strottenhoofdstand, voordat ik de zekerheid heb, dat de leerlingen mij niet zullen misverstaan en hierdoor den toon verkeerdelijk naar beneden drukken. Ik laat alle tonen precies op

Sluiten