Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier niet gedwongen om zich met de moeielijke prediking van het bovenzinnelijke, of met het raadsel der zonde bezig te houden. Boeddha bemoeit zich alleen met wat zichtbaar is, met wat de ervaring leert. Het moge waar of valsch zijn, wat, naar veler oordeel, gelegen is in den kring van het bovenzinnelijke, Boeddha bemoeit er zich niet mee. Hij kent geen geloof in christelijken zin; in het stelsel van Boeddha heeft slechts datgeno eene plaats, wat ingevoegd kan worden in de wet van oorzaken en van gevolgen. Deze wet wordt losgemaakt van God en zelf tot regeerder der wereld gemaakt. Juist hierin komt onze moderne wereldbeschouwing in menig opzicht overeen met die van het Boeddhisme.

Onder den invloed van het philosophisch pantheïsme en het natuurwetenschappelijk materialisme heeft zich een practisch atheïsme meester gemaakt van de groote massa der zoogenoemde beschaafden. De moderne theologie met de liberale predikanten hebben er het hunne toe bijgedragen om aan het volk zijn God te ontnemen. Velen zijn ongevoelig geworden voor de roepstem des evangelies. Men rekent niet meer met God, zoomin in het maatschappelijke en in het staatkundige leven als in het familie- en in het persoonlijke leven. Voor de zede wet is er geen hooger gezag dan de mensch zelf. Menigeen vindt dit gemakkelijk, omdat zij de Schrift niet kunnen rijmen met hun denken, terwijl anderen uit vleeschelijke overwegingen het aangenaam vinden dat er geen God is, wijl zij dan der zonde maar vrijen teugel kunnen laten en zij niet door hun geweten gestoord worden. Doch bovendien komt er al meer een afkeer van den christelijken godsdienst, een haat tegen God. „Wie de waarheid liefheeft", zegt Schopenhauer, „haat de goden zoowel in het enkelvoud als in het meervoud", en velen zeggen het hem na. Nietzsche lastert de christelijke religie en belaadt haar met zijn vloek.

Sluiten