Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oen strijd <>|> leven en dood tegen den Vorst dezer eeuw. (Ziet onze toespraak: Vrede of strijd?) Maar er moet wettig worden gestreden. Onze tegenstanders hebben het recht van ons te eischen (on wij van hen!): 1°. dat wij hun gedachte en bedoeling nauwkeurig, en overeenkomstig de waarheid weergeven; 2°. dat wij tegenover hun argumenten slechts argumenten plaatsen, zonder ons te bedienen van stoffelijke wapenen; 3°. dat wij hun karakter onaangetast laten, en, zoolang wij hun onoprechtheid niet kunnen bewijzen, blijven gelooven aan hun goede trouw.

In verband hiermede, verklaren wij duidelijk en beslist, dat ons streven steeds is geweest, en nóg is, naar die wetten en regelen te handelen, in dien geest van verdraagzaamheid voor onze overtuiging uit te komen. Hebben wij, in onze vroegere geschriften, de gedachte van onze tegenstanders verkeerd begrepen, hebben wij ons een woord laten ontvallen, waardoor hun bedoeling in een verkeerd daglicht zou komen te staan? Wij verzoeken ieder lezer ons daarop te wijzen, en oogenblikkelijk zullen wij timende honorable doen, gelijk wij van te voren herroepen elke uitdrukking, die men als een persoonlijke beleediging zou kunnen aanmerken. Wij willen niemand kwetsen, ons voortdurend streven is een zuiveren beginselstrijd te voeren, en gaarne zijn wij bereid de broederhand te reiken aan allen, ilie wij, op het gebied des geestes, als onze tegenstanders beschouwen. Maai-, waar de nood tot spreken ons is opgelegd, daar zou zwijgen gevaarlijk zijn, en daar denken wij aan het woord van Luthek: het is niet geraden iets tegen het geweten te doen.

II.

Christus geeft zekerheid, geen waarschijnlijkheid. Voor velen onzer tijdgenooten blijft alles product van het menschelijk denken en menschelijk voelen. Van eenige objectieve werkelijkheid zijn zij nimmer zeker. Pastor Quidam (Hervorming 2 Juli '((4), in zijn bespreking van de bekende verklaring der zes lieeren predikanten, zoekende naar een gemeenschappelijke geloofsformule, schrijft zonder eenige aarzeling neer: „De opstellers zullen toch wel niet vergeten hebben, dat het spreken van Gods vergevende liefde niet anders is dan een religieuse uitdrukking van gemoedservaringen. En zie ik hierin goed, dan zal er geen enkel vrijzinnige zijn, die ook dit niet onderschrijft." En in dienzelfden geest laat collega de Groot,

Sluiten