Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overigens een zoor kottorsch moderne, zich uit: „We zeggen niet: God is de Heilige, doch God wordt door liet zondige en schuldige gemoed ervaren als de Heilige.... Zoo we stellen: de inensch is verloren zondaar, enz., dan volgt hieruit noodwendig: er is straf voor zonde; doch nu onze conclusie was: de mensch gevoelt zich, enz., nu eischt ook de logica: de schuldbewuste inensch vreest voor de verdoemenis (waarom eeuwige?) en wat daarmede in verband zou kunnen staan (men gevoelt het verschil ook weer in dezen)." (Hervorming 27 — 8 — 04).

Wij gevoelen het m?ar al te goed: het verschil tusschen die theorie en het Evangelie, is het verschil tusschen schijn en wezen. Als een moderne van die nuance spreekt van „schuld", van „den Christus", van „verzoening", enz. en/... dan hebben wij eenvoudig te doen met rhetoriek. De redacteur der Hervorming laat hieromtrent niet de minste onzekerheid bestaan. „Wij schreven niet," verklaart hij (10 Sopt. '04) „van rhetoriek, in verband met de rechtzinnigheid. Wij onderstelden de mogelijkheid van rhetoriek in verband niet de belijdenis van een „moderne": „wij menschen zijn ton opzichte van God verloren zoons en dochters." Deze uitdrukking is ontleend aan het orthodoxe stelsel, waarin alles, ook het verloren zijn, is bedoeld in absoluten zin, en dus ook de verlossing alleen mogelijk is als absoluut wonder. Handhaaft gij uwe uitdrukking, bedoelden wij te zeggen, als objectieve beschrijving van aller menschen toestand, van dien der menschen in 't algemeen, dan behoort gij u gedrongen te zien liet orthodoxe stelsel niet zijn supra-naturalisme te aanvaarden; gij kunt dan hier en daar aan dat stelsel wat wijzigen, maar gij staat in het middenpunt er van, met zijn zondebewustzijn niet alleen, maar niet zijn zielkunde, zijn historiekennis en zooveel meer wat er mee samenhangt. Tenzij — tenzij wij, wanneer gij van ons, menschen, als verloren zondaars spreekt, daarbij met rhetoriek te doen hebben; wij bedoelden, enkel als uiting van een diep gevoel, als aan de traditie, aan de oude geloofsschaal ontleende formule, die geen verdere pretentie heeft dan uit te spreken hot onmiddellijke persoonlijke gevoel...."

Ergo, men zou, hierop afgaande, de belijdenis van een „moderne" aldus kunnen weergeven: „Ik gevoel mij schuldig (of ik het ben, weet ik niet). Christus, d. i. de verpersoonlijkte, ideale geest, werkende in liet menschelijk geslacht (want wij weten niets zekers noch van een „Christus naar de Schriften", noch van een „Jezus der historie") spreekt van vergiffenis. En door dien geest gevoel ik Gods vergevende Vaderliefde, gevoel ik mij weder in genade

Sluiten