Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Och menschen, luister toch, en denk even na s v. p. De Directeur der schepping is toch zoo vreesselijk en onnoembaar knap I Ik geef het u o professor, in tienen, te bedenken eene machine om uit gras vet te maken, of uit water wijn. En tóch, zulke machines, ongelooflijk! heeft God gemaakt of 't niets was, wonderen van wonderlijkheid; alleen... wij stómme menschen willen er maarniet op letten. Wat ik bedoel: de koe eet gras en wordt vet; zijn reuzel smelten we; de koe is eene machine die gras tot vet maakt. En de wijndruif is een zeef of filtreer of wat ook, waarin het regenwater van den bodem verandert in druivensap. De reseda verandert de muffe lucht der teelaarde in de zoetste geuren. En zulke machinetjes zijn er bij millioenen, maar de mensch is te slaperig en te stom om daar op te letten, om te letten op de knapheid van den Qod. En nu vertrouwt hij niet meer op God, en zegt: God heeft dit en dat in de menschenwereld verkeerd gemaakt.

Och menschen denkt na, en erkent: dat de ongelooflijke knapheid van de Godheid ook wel weg zal weten met de narigheden die Hij der menschheid heeft opgelegd.

Schep moed! zeg aan uw smarte

En zorgen goeden nacht 1 * *

*

Stelling: ln elk geval blijft het voor ons iets totaal-onbegrijpelijks, dat de Wereldmacht tegelijkertijd smarten noodig vindt om ons tot bruikbare individuen te kneden en te hameren ... en tegelijkertijd ons in onze gewetens aanport (door in deze gewetens ontferming in te gieten), die smarten bij onze medemenschen zooveel mogelijk te verminderen. Stelling: Het is er met dit vraagstuk van het verdriet, als met het vraagstuk van de zonde: al even onbegrijpelijk.

Want tegelijkertijd gevoelen we duidelijk in ons (het is eenvoudig een feit), dat de Wereldmacht de zonde-inons als iets-dat-niet-moet zijn ons voorspiegelt, ze dus niet

wil en tegelijkertijd laat diezelfde Godheid ons in zonde

vervéllen, laat ze ons dus doen.

Stelling: Uit dit alles blijkt, dat wij leven in eene wereld vol onbegrijpelijkheden.

Maar één ding staat vast, en dat is dit: de zedewetin-ons. En op die wet lettende, roepen wij uit: O God, o Directeur, o Wereldmacht, hoe ge ook zijt,... wat Gij ook ons doet lijden,... hoe onbegrijpelijk Gij u voordoet, ... uit den drang-ten-goede dien Gij in-ons gelegd hebt, blijkt ons een deel van uw Wezen dat goed is,... en daarom vertrouwen wij:

dat ook het Andere deel van U dat ons önbegrijpelijk is, het rampen-zendende-deel-van-U, wel goed zal z.ijn. Derhalve: de rampen zoo goed als de zédelijke oefening ons komende ten goede.

Indien het anders ware, zoude de Wereldmacht zijn:

Sluiten