Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ju: Wel allemachies, dat is aardig! Heb ik ooit

Je: (Doet minder joviaal).

Ju: Nu, herken je me niet meer? Kerel, kerel, wat een tijd is dat geleden ...

Je: (Kijkt ernstig voor zich).

Ju: Je kent me zeker niet meer. Nu, 't is dan ook zoo verbazend lang geleden, sinds we elkaar zagen. Ik ben Ju; weet je niet meer? Wel, wel! wat casueel! Daar moet me ook net die mug komen, om jou van dat grassprietje en mij van die paardebloem te strijken, en ons hier samen te laten neervallen in dit gezellige holtetje. Een plaatsje, geknipt om oude herinneringen op te halen . maar wat kijk je ernstig ...

Je: (Zwijgt).

Ju: Herken je me nog niet? Ju; je weet wel; Ju van voor achttienhonderd en zooveel jaar; maar ik weet 't nog best.

J e: Helaas ! ik herinner mij.

Ju: Dus je herkent me. Nu oude kameraad, druk me dan de hand! Kom, laat ons eens keuvelen. Samen een glaasje bier, hé ? Ik heb je zoo allemachies veel te vertellen, want ik heb in die achttien eeuwen zoo allemachies veel beleefd en geleerd.

J e: Ik hoopt dat ge geleerd hebt.

Ju: Ge? Gij? Waarom zoo deftig? Kom, wees joviaal, als onder broeders-atomen past I En waarom zeg je zoo plechtig: „Ik — hoop — dat — ge — geleerd — hebt... ?" Ben je dan nog zoo dominees-achtig als in 't jaar 30 ?

J e: Broeder, broeder !

Ju: Och jij met je gebroeder. Ik bedank voor je ernstig gezicht. Ik emancipeer me van jou gepreek. Loop rond met je gepreek! Deze tijd is de tijd der emancipatie. Ik emancipeer me van alles; ook van 't respect voor jou; en je bent geen haar beter dan ik!

Ja, in den ouden tijd, toen ik nog zoo bekrompen was ... toen we ons ophingen en verworgden uit zoogenaamde gewetenswroeging ... en „henengaande verworgde hij zich zeiven", Mattheus 27 vers 5. Wat een flauwerd was ik toen ... Maar nu ...

Ha, ha ! Ik moet nog lachen; neen ik erger me dood, dat ik mij toen zoo geschaamd heb. Bah!

Hoe was 't ook weer?

Ik was een atoom op de lippen van Judas, en jij was in een adertje van den mond, die zoo mooi redeneeren kon, althans zoo de menschen zeiden. (Maar de menschen zijn dom.) Hoe heette die man ook weer?

Je: Jezus.

Ju: O, ja; hoe kon ik het vergeten? Nu herinner ik mij weer alles. Het was een avonduur als dit, een donkere warme avond in het voorjaar. Maar dan in een tuin ... Drommels die namen . . •!

Je: Gethsémané.

Ju: O ja — Nu, ik zie het nog voor mij. Ik kom den beboomden hof in, op Judas gezeten. Hij had wijn gedronken, wijn om zich te bedwelmen. Ik zat nog in den wijn op zijne lip. Alles helverlicht. Fakkels, soldaten ...

En toen die ontmoeting. (Ik huiver nog een beetje als ik er

Sluiten