Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Plato, om den Staat; niet omgekeerd. — Nergens was dan ook in beginsel de grens voor staatsbemoeiing minder beperkt dan in het land van Plato (Griekenland). Familieleven en eigendom waren zelfs niet veilig tegenover deze staats-albemoeiïng.

Bij de Romeinen was de staats-bemoeiïng wat den Romeinschgeboren burgers aangaat, niet zóó volstrekt als bij de Grieken. We zien ook in de geschiedenis van den Apostel Paulus, dat iemand die het Romeinsch burgerrecht bezat, voorrechten genoot boven hen die dit niet bezaten, b.v. de slaven, of de onderworpen vreemde volken. — Wat deze laatste aangaat (slaven en onderworpen volken), daarmede handelde de Romeinsche staat vrij absoluut; namelijk, de Romeinen gebruikten hen voor datgene wat voor den Staat als zoodanig dienstig leek.

Dat de Staat het eenige en hoogste doel des levens was bij genoemde volken is niet toevallig; met opzet noemden we dat niet een Romeinsch of Grieksch, maar een heidensch element, een paganistisch standpunt.

Terecht zou men toch kunnen vragen: al was dit nu bij genoemde volken te vinden, was het daarom specifiek (kenmerkend) heidensch ? En dan moet het antwoord luiden: ja.

Namelijk: het wezen en kenmerkende van het heidendom is, dat men met verloochening van den éénen en waarachtigen God des hemels, zijn hoop en vertrouwen stelt op iets buiten dien God, dus altijd op iets eindigs, op een of ander schepsel, bezield of onbezield. Hiervan is weder een gevolg dat het tijdelijk leven, en in elk geval de vormen van het tijdelijk leven, het hoogste goed moesten bieden. Men zocht ook in dien zin het paradijs op aarde, en God beneden; daaruit sproot voort de vergoding van den Staat. Waarom;' Deze vraag kan eerst recht beantwoord worden, wanneer we eerst een andere vraag onder de oogen zien: n.1. waarom vinden niet alle heidensche volken, b.v. ook de menscheneters en boschjesmannen, in dit stelsel van staatsvergoding het hoogste goed ?

Daarop luidt ons antwoord: dit hangt saam met den trap van kennis, beschaving, ontwikkeling enz., waarop een volk staat. Hoe lager een heidensch volk te dien opzichte staat, hoe minder fijngevormd hoe minder rijkontwikkeld zijn voorwerp van aanbidding en eere is. Daarom vinden menscheneters in een hap menschenvleesch een bijzonder genot. Nu is het zeker niet voor ernstige tegenspraak vatbaar, wanneer we zeggen, dat onder de dingen van het natuurlijke, aardsche leven, het leven van een volk in een welgeordenden Staat,

n

Sluiten