Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die met zijne ballingschap eindigde, is er van zijn later pessimisme nog niet zoo heel veel te bespeuren. Als student is hij voor de vriendschap van J. H. van der Pajtn overdreven dankbaar 1); aan zijn vriend Bussingh geeft hij den raad : wees wijs, gevoel, geniet, en juich in uw bestaan 2); zijne erotische verzen uit dien tijd zijn vol dartelen levenslust 3). In zijne eerste vrouw bezong hij (/de beminlijkste, edelste, en voortref!ijkste aller giften van Hem, wiens milde hand van enkel zegen stroomt" 4). Aan de vadervreugd, welke hij genoot bij de geboorte van zijn eerste kind op 8 Sept. 1785, gaf hij uiting in een wonderschoon gedicht : Jan mijn dochterken 5). En in den Wiegezang bij datzelfde kind roept hij uit: Het leven heeft ook zaligheên 6). Zijn tweede huwelijk was een echt van wederzijdsche onverflauwde liefde ; de gansche arme wereld bevatte zulk een goed niet, als hem in zijne gade geschonken was 7). Het is ook niet geheel juist, of althans voor misverstand vatbaar, wat Gorter schrijft: als Bilderdijk geestig en luimig wilde zijn, raakte hij meestal de klus kwijt, werden zijne aardigheden grof en zijne beelden gezocht. Wat ging den grooten dichter ongelukkiger af dan scherts en jokkernij, onbehouwener dan puntigheid en satire? 8) De zes Luimige Brieven aan zijne eenige zuster 9), tal van verzen zooals De Vloek 10), Het Pensioen 11), De eed der meisjes 12), De drie lessen van het recht 13), De geroofde hairlofc 14), Robbert de Vries 15), Het Rechtsgeding 16), De Nachtegaal en de Koekoek 17), De Koekeloer of de eerste April 18), De Volksstem 19), De opdracht van den Muis- en Kikvorschstrijd 20) enz. tintelen van goeden luim, fijne satire, of gezonden humor. In zijne Brieven is er dikwerf een vroolijke toon te hoorei) ; de schrijver is zich soms van den komischen kant van zijn voortdurend klagen bewust en staat dan haast op het punt, om er zelf den spot mee te drijven 21).

Maar, wat het meest van beteekenis is, met al zijne klachten eindigt de dichter, evenals de vromen des Ouden Testaments,

1) Dichtw. X 259. 2) Dichtw. X 257. 3) Dichtw. IX 389v. 4) Van Vloten, Bloemlezing 47. 5) Dichtw. X 284. 6) Dichtw. X 291. 7) Dichtw. XII 229. 8) Gorter t. a. p., 129, 121. 9) Dichtw. XII 400v. 10) Dichtw. I 173. 11) Dichtw. I 404. 12) Dichtw. X 135. 13) Dichtw. XIII 197. 14) Dichtw. XIII 368. 15) Dichtw. 1231. 16) Dichtw. 1469. 17) Dichtw. I 438. 18) Dichtw. I 440. 19) Dichtw. XIII 232. 20) Dichtw. III 51. 21) Bijv. Brieven II 178v., 209, 210v., 231v.

Sluiten