Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden voor alles aanleg, en onderscheidden zich door stalen vlijt, onvermoeide werkzaamheid, groote geleerdheid, eene verbazingwekkende veelzijdigheid en door eene aan de receptiviteit beantwoordende productiviteit; zij namen niet alleen op, maar verwerkten het ook en dachten het door ; zij waren afhankelijk en tevens oorspronkelijk. Grooter is nog de overeenstemming in wijsgeerige grondgedachten. Noch Leibniz noch Bilderdijk kon zich vinden in de rationalistische en empiristische philosophie van Cartesius en Bacon. In deze stelsels stond het dualisme, het atomisme, het mechanisme hun tegen. En daarom zeiden beiden, ieder op zijne wijze : het wezen der dingen bestaat niet, deels in denken, deels in uitbreiding, maar in kracht, in onzichtbare, immanente, werkende, vormende kracht. Het geestelijke en het lichamelijke bestaat daarom niet gescheiden naast elkaar ; denken en uitgebreidheid zijn eigenschappen, verschijningsvormen van het daarachter liggende wezen der dingen ; van de onzienlijke, door God zelf geschapene en onderhoudene krachten. Om die reden zijn alle schepselen aan God, maar ook onderling verwant; ze zijn niet, als bij Spinoza, in substantie één, maar ze zijn in hun onderscheiden bestaan toch nooit gescheiden ; zij gaan als het ware in elkander over en bestaan steeds in elkaar ; er is eene geestelijke, verborgene eenheid, die alle dingen onderling en samen weer met God verbindt. Eenheid, orde, verscheidenheid, harmonie, dat is de grondgedachte der philosophie van Leibniz en Bilderdijk beiden. Bilderdijk heeft zelf het beginsel zijner philosophie uitgesproken in deze woorden, die de sleutel zijn van heel zijne wereldbeschouwing: Uitslag van alle onderzoek „zal altijd de eenheid zijn, die in God is en die Hij zijne schepping heeft ingedrukt. Eenheid in het Zedelijke, in het Natuurlijke, in het Geestelijke ; en bij deze Eenheid, uitbreiding in alle kringen en ordeningen. Eenheid en uitbreiding, zeg ik; uitbreiding, welke in één smeltende Liefde is; zij, de vervulling aller wet, en die in zich alle plichten bevat" 1).

1) Verhandelingen ziel-, rede- en rechtsleer betreffende, Leyden 1821 bl. 14. De wysgeerige beginselen van Bilderdijk zijn ook, schoon onvolledig, behandeld door Da Costa, De Mensch en De Dichter bl. 465v. Alberdingk Thym, Gids 1876 III 312v. Ten Kate, Bilderdijk en da Costa bl. 5v. Pierson, Gids 1886 I 397—453. Id. Gids 1891 IV bl. 25v. Kollewijn, Bilderdijk, zijn leven en zijn werken II 83v.

Sluiten