Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Immers, inenschen, mogen wy, Gods voorzienigheid regeer'

Zelf onze eigen wetten smeden, 't Zij zoo, boven lucht en wolken,

Denken, willen, handlen vry, Maar op aarde zijn wy Heer,

Meester van onze eigen reden. Vrye menschen, vrye volken.

Dit is 't onvervreemdbaar recht. En beschikken van ons lot,

Aan ons wezen vastgehecht. Ieder als zyn eigen God.

Wy, wy maken ons geluk Wij ontwerpen, wij beramen,

Brengen de Almacht onder 't juk En Zij zegt zoetsappig Amen.

Zij moet volgen. Waarom niet?

Ons behoort het hoog gebied. 1)

Tegenover deze autonomie en autolatrie van den mensch predikt Bilderdijk den God der openbaring, den God van Recht en Zoen, van rechtvaardigheid en barmhartigheid, in wien alle eigenschappen één zijn. Wij kunnen in de eene zijner deugden eene andere verkrachten, maar in God zijn zij alle vereenigd. Haar samenhang in God gaat boven onze gedachten. In Hem bestaat geen deugd, die eene andere deugd weerstreeft 2). Aan alle deugden Gods in hare volkomenheid en eenheid moet eere gebracht worden ; geene enkele mag aan eene andere opgeofferd, ten bate van eene andere verlaagd of ten koste eener andere verheven worden 3). Want God is volstrekt één, de eenheid en de volheid van zijn. God alleen is, Hij alleen is het waarachtige zijn, en alle schepsel heeft slechts een schaduw en een schijn van zijn.

Ons één ia zelfgebrek, is 't perk des zijns alleen,

Uw één-zijn 't albegrijp van Uw volkomenheên.

Gij denkt U-zelv' in U ? 't Is God, uit God gevloten !

Gij stelt U schepslen voor ? een wareld is ontsproten!

Uw éénheid is geen perk, waar buiten iets bestaat;

Ge omvat U-zelv', o God, en, wat zich denken laat! 4)

Daarom wordt Bilderdijk nooit moede, den mensch zijne nietigheid, zijne volstrekte afhankelijkheid, zijne schuld en zonde, zijn dwaasheid en hoogmoed voor te houden. Hij werpt den mensch voor Gods aangezicht, voor zijne deugden en volmaaktheden in het stof. God alleen is het waarachtige volle zijn, de loutere waarheid en goedheid, de oneindige volkomenheid, het ééne en en eeuwige wezen.

1) Dichtw. XIV 134. 2) Dichtw. V 25. 3) Dichtw. V 327. VI 118. 4) Dichtw. V 168.

Sluiten