Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V

Maar deze God, die de volstrekte eenheid is, is voor Hilderdijk—> ook die God, die in eene drievuldigheid van personen zich uit-ÏJj breidt, en als drieëenige zich heeft geopenbaard. Voor den naam zonder meer strijdt hij niet. Het is een naam, die in de Schrift niet voorkomt, maar in de theologie gevormd is. Doolt 't komt hier op de zaak, op geen benaming aan. Als kunstterm heeft echter de naam waarde, wijl het leerstuk zelf gevaar zou loopen, indien men het woord ontwende; het woord kan niet gemist worden 1). De zaak zelve, welke door den naam wordt uitgedrukt, had voor Hilderdijk niets vreemds. Zij ligt volgens zijne overtuiging in ons innerlijk sentiment, zij komt tot uiting ook in de dwalende gevoelens der Heidenen en der ketters, en is zichtbaar in de gansche natuur. Er is, naar zijne meening, geene waarheid overtuigender aan te wijzen, dan deze. Het veelgodendom, zoo zegt hij, in een brief aan P. J. Uylenbroek van het jaar 1791, revolteert en sluit eene contradictie in ; de volstrekte Eenheid, die de Joden thands in 't Opperwezen willen stellen, en die de Unitarissen willen, revolteert niet minder, en laat zich niet vereffenen met de begrippen van Schepper etc., ja brengt (naar mijn inzien) regelrecht tot het Epicurismus, of den leer van Gods onverschillige werkloosheid. De geheele schepping, en het huvvlijk, waarvan de heiligheid zoo groot is, omdat het een afbeelding of afschaduwing is van de Godheid, en van Zijne schepping, alles met één woord doet ons God anders gevoelen dan de Unitarissen hem schilderen kunnen ; en gelijk er geene dwaling is die niet haar grond in een waarheid heeft (en wel in een waarheid, die door haar moeilijkheid om te bevatten, aanleiding tot misvattingen geeft), zoo heeft naar mijn begrip 't gevoelen der Pantheisten zijn oorsprong er kennelijk in, en de andere ketterijen hebben't hunne er ook in, schoon minder kennelijk 2).

Dat wij drie en één niet vereenigen kunnen, ligt volgens Hilderdijk in het valsch begrip van getal, hetgeen bij ons altijd een besef van successie insluit, evenals tijd en ruimte. Maar dat gevoel van successie zit in ons en vervalscht daarom alle beseften van hetgeen buiten ons is of gesteld wordt. Misschien had Pythagoras daar een ander denkbeeld van. Maar ons idéé zelfs

1) Dichtw. XIV 26. 2) Brieven I 187.

Sluiten