Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet welke een louter in 't rondloopen is, zonder eenen stap verder te komen.

Dit is nu niet alleen volkomen materialisme, en de omverwerping van alle natuurrecht. Maar Natuur wordt op dit standpunt altijd een hersenschimmig wezen in 't denkbeeld der menschen, waar zij als ware 't huns ondanks, kracht, overleg, doel en wetgeving aan toeschrijven, en hetgeen zij, tot zooverre ten minste, voor hun God huldigen, en het is geen bloot lichaam meer, maar iets zwevends tusschen lichaam en geest in. Het besef van het Goddelijke is den mensch toch derwijze ingeschapen, dat hij ook dan zelfs, wanneer hij het volslagen ontkent, niet nalaten kan het zich voor te stellen en te hulp te nemen, om zich eenigszins uit te drukken. Zoo is het met het woord Futuur, dat bij degenen, die God ontkennen, tot God wordt en alzoo het pantheisme ontstaan doet. En zoo gaat het ook met woorden als geval, geluk, fortuin, kans, beweging en ook met de aantrekkingskracht. In de plaats van Gods almacht, draagt men haar de beheering en inrichting der wereldstelsels op. Toch zijn al deze begrippen niets dan abstracties, die men echter, van bloote verschijnsels afscheidende, tot zelfstandigheden maakt zonder lichaam en zich als handelende, eischende, dringende voorstelt, omdat wij inderdaad geene andere dan geestelijke kracht of werking bevroeden, ja ons in de verbeelding zelfs van 't werkende lichaam geene andere voorstellen kunnen 1).

Deze dwaling, waarvan Bilderdijk de natuurwetenschap beschuldigt, is dezelfde als die, welke hij op godsdienstig en zedelijk gebied ontdekt en bestrijdt. Het geestelijk besef is wel onuitroeibaar eigen aan den mensch. Maar hij ontkent dit zichzelven met eene hardnekkige kwaadwilligheid, om als ware 't zijn eigen God te zijn, evenals of hij daarmede den band kon afschudden, waardoor toch (men neme het hoe men het neem) hetgeen te samen bestaat, van allen kant op elkander drukken en werken moet. Zoo komt hij er toe, om op zedelijk gebied zich die hersenschim van zoogenaamde vrijheid in te beelden, waar alle onverstand, alle onzedelijkheid en alle weerspannigheid tegen God en zijne wetten op rust. De oorzaak dezer dwaling is te zoeken in den verstandelijken toestand in dezen tijd, die niet

1) Verhandelingen bl. 175—179.

Sluiten