Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geestelijke niet in gevoelt, in deze opvatting wel een bloot poetischen droom en een spel van verbeelding zal zien. Maar Bilderdijk zelf, al wil hij zich hier met geen theologisch geschil inlaten, ziet in het dichterlijk gevoelen, dat hij over de dieren voordraagt, geene nieuwe, door hem ontdekte waarheid, maar eene gedachte, die meermalen ook door anderen is uitgesproken. Ze trekt hem aan, omdat hij er eenige verklaring in ziet van het geheimenis, dat in de dierenwereld zich aan ons denken aanbiedt. Bilderdijk kon zich volstrekt niet vinden in de theorie van Cartesius, die aan het dier de macht van denken roofde, den geest er aan betwistte en heel het dierlijk bestaan mechanisch trachtte te verklaren. Hij zag de verwantschap van dier en mensch veel dieper in, erkende, dat in de dieren eene wondere kracht schuilde, dat zij kunstdrift, besef, leerzucht, gramschap en ontzag, liefde en schroom bezaten, en bovenal dat zij, evenals de mensch, met denkingskracht waren begaafd. Dat alles was niet uit stof en stofwisseling te verklaren, maar duidde aan, dat er geest in de dieren woonde:

't Begeeren toch, 't verstaan, het luistren naar bevelen, Gevoeligheid voor schaamte, en pr\jsbre zucht naar lof,

Is geen verschuiving, geen verplaatsing slechts van stof. 't Is geest, die geest verstaat, in 't stoflijk van de klanken 't Onstoflijk willen leest; die wenschen kan en danken.

Daar kwam nog een tweede overweging bij. Evenmin als J. F. von Meyer kon Bilderdijk zich voorstellen, dat allerlei verscheurende en schadelijke dieren reeds vóór den val door God geschapen of althans van hun tegenwoordigen woesten aard voorzien zouden zijn 1). Dat ware met Gods goedheid en wijsheid in strijd. De val moet daarom niet alleen in den toestand van den mensch, maar ook in dien van plant en dier en van heel de natuur eene groote verandering hebben aangebracht.

Door deze beide overwegingen kwam Bilderdijk tot de dichterlijke voorstelling, dat de val der engelen plaats had gehad in den tijd, die aan de vorming der aarde voorafging en als het ware tusschen het eerste en tweede vers van Genesis I inligt. Maar de schuld van die gevallen engelen was niet bij allen even groot

1) Vergelijk de verhandeling: Over de schepping van slangen, gewormte en ongedierte, door Bilderdijk aan Von Meyer ontleend, Opstellen 1121—136.

Sluiten