Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strijd, lieelen onze wonden, begeleiden ons op onze wegen, sterken ons in heftige verzoekingen,

Ja, zalig Geestendom,

GÜ vloeit, gij zweeft, gij waart, gij zwiert my stroomende om ! En dees myn weeke ziel — ? Zij vliet, zij stroomt u tegen. 1)

Met Jung Stilling was Bilderdijk dan ook bijzonder ingenomen, zijn „Geestenwereld" was hem volkomen bekend 2). En ten aanzien van Swedenborg erkende hij wel, dat wie met bijzondere openbaringen verwaardigd wordt, ook vatbaar voor afdwaling is en naar den regel van 1 Joh. IV : 1 behandeld moet worden ; maar hij was er toch ver van af, om al diens openbaringen voor inbeelding te verklaren en achtte zijne leer, dat de engelen en duivelen oorspronkelijk nienschen waren geweest, op zichzelve niet verwerpelijk 3). Voor Bilderdijk was de aarde vol met ingevingen, verschijningen en gewaarwordingen uit het geestendom 4). Indien ons lichaam niet vergroofd en verbasterd, onze geest niet verzwakt en verblind was, zouden wij niet als opgesloten leven in deze gevangenis en afgescheiden van God en Zijne engelen, met wie wij op de nauwste en onbegrijpelijkste wijze verknocht, ja eindeloos nauwer verknocht zijn, dan onze hand of onze borst met ons of met elkander verknocht zijn 5).

Zoo zag Bilderdijk in het heelal een levend, bezield, van kracht en geest tintelend organisme, dat in zijn geheel en in al zijne deelen, schoon schaduw en schijn in zichzelve, toch de openbaring van Gods deugden, de spiegel van zijne volmaaktheden was. Het was de eenheid Gods, in al het geschapene afgedrukt, welke hij o\etal zocht. Hij wilde niet alleen geen tegenstrijdigheid en geen stelsel van evenwicht, maar hij was ook nog niet tevreden "iet eene verscheidenheid, die door eene hoogere eenheid verbonden en daarin samengevat werd. Hij dorstte met zijne gansche ziel naar eene eenheid, die als volheid van zijn en geest en leven ook uitbreiding is; uitbreiding, welke, uit de volheid des zijns voortgevloeid, tevens alles inéénsmeltende Liefde is. Deze ls Jlet> die het gansche heelal op zijne beurt tot eene eenheid

1) Dichtw. VII 122. 2) Brieven IV 129.

3) Brieven IV 48, 84. Opstellen II 74.

JL.BrieT„ IV i1?; Verg- 00k het 8edicht: Lüe's Schim, het eerst gepubliceerd door Kollewijn II 101.

5) Opstellen I 99.

Sluiten