Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heilstaat bonsde en 's aardrijks bloei verslensen, des hemels zaligheid vervlieten deed 1). Het wezen der zonde ligt voor hem in het iets willen zijn van het schepsel buiten en tegenover God, in het zichzelf ten wetgever en God willen zijn van den mensch, in het zelf willen uitdenken en voorschrijven van wetten en verordeningen, die voor hem op ieder gebied gelden mogen, in één woord, in de autonomie en de autolatrie van den mensch 2). Als Bilderdijk wijsgeerig zijne gedachten over oorsprong en wezen der zonde ontvouwt 3), toont hij weder verwantschap met Leibniz. Door het scheppen geeft God het aanzijn aan wezens, die uit den aard der zaak oneindig van het Goddelijk wezen verschillen, daar afhankelijk van zijn en slechts een zweem van het Goddelijke vertoonen. Evenals liet licht in de natuur wel een uitvloeisel der Godheid is, maar toch volstrekt niet datgene is wat het is in God, veeleer in vergelijking daarmede eene vermindering, ja eene verbastering, zoo is het goede in schepselen slechts een zweemsel van het goede in God. Het is een goed, dat aan het tegengestelde van 't goed meegedeeld wordt en dus het o//-goede, het tegenstrijdige van het goede, kennen doet. Het licht brengt op die wijze het denkbeeld van duisternis, en het goede dat van het kwade mede.

Maar het kwade is hier bij Bilderdijk nog in algeineencn zin bedoeld. Het behoort in zijne tweeërlei beteekenis onderscheiden te worden. Er is een kwaad, dat alleen in vermindering bestaat. In dien zin is elke stellige hoedanigheid in het schepsel een kwaad, dat is eene vermindering van de volmaaktheden, die in God zijn. Maar er is ook een kwaad, dat in tegenstelling bestaat, door het begrip van zelfheid of wil het aanzijn ontvangt, en dat dus den naam draagt van zedelijk kwaad. Goed en kwaad in deze zedelijke beteekenis behooren niet allereerst tot het verstand, zijn geen resultaat van redeneering, maar liggen in onze onmiddellijke zelfbewustheid. Het zijn qualiteiten, niet allereerst van onze daden en handelingen, maar van ons hart, van onzen wil; en die wil is in ons, is onafscheidbaar met het gevoel van onze zelfheid, van ons ik verknocht, en is ook altijd gedetermi-

1) Dichtw. V 155. 2) Verhandelingen bl. 171. Dichtw. V 403.

3) In de verhandeling: Van het kwaad, Verhandelingen bl. 97—112.

Vergelijk ook Brieven V 83.

Sluiten