Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houd ontvangt. Maar daaruit volgt dan ook, dat het verstand, zich van gevoel en verbeelding isoleerende, in geestelijke dingen totaal onbevoegd tot oordeelen is.

Neen, 't kan niet verder gaan, van hooger niet beslissen,

Dan die beseffen-zelf, waartoe 't bevoegdheid heeft;

't Mag slechts de opmerkzaamheid van 't voorwerp vergewissen, En heldren 't denkbeeld op dat scheemrend voor ons zweeft.

Het is daarom op zichzelf

bepaald tot menschelijke kringen;

't Licht voor zoo verre 't kan en kracht heeft, verder niet. 't Is menschelijk, onbekwaam het Godlijke in te dringen, En 't Geestlijk werk van God is buiten zijn gebied. 1)

Overtuigingen aangaande geestelijke dingen kunnen dus nooit rusten op redeneeringen des verstands. Ver zijn zij de plank mis, die een tilozofische, een godsdienst uit verstandelijke gronden zoeken. Hoogstens kan het verstand de noodzakelijkheid der godsdienst en de zekerheid, dat zij bestaat, betogen en dit op grond onzer bewustheid van 't geestelijk gevoel dat bij ons berust; op gelijke wijze als het het bestaan van het licht kan betogen, niet uit zichzelven, maar alleen uit de zintuiglijke waarneming van de uitwerkingen in het gezicht 2). Maar meer kan het verstand dan ook niet; fnndament der religie kan het niet zijn ; het geloof aan God rust niet op bewijzen des verstands. Evenzoo staat het met de ziel en hare onsterfelijkheid ; het verstand kan ze op eigen gronden niet aannemen, maar voor het hart staan ze vast, zooals ook Socrates en Cicero reeds erkenden 3). In het geestelijke heeft het verstand geen kracht of vatbaarheid van of voor kennen 4).

In de tweede plaats ontvangt de verbeelding hare voorstellingen uit de stoffelijke wereld en levert deze dan weer over aan het verstand. Maar op de vraag, of het verstand door middel van die voorstellingen tot waarachtige kennis van de stoffelijke wereld komen kan, geeft Bilderdijk wederom, misschien wel tegen onze verwachting in, een beslist ontkennend antwoord. Letterlijk schrijft hij in zijn opstel over Jlet ware beginsel der Zedekunde 5): Alle

1) Dichtw. VI 3, 4. V 119. 2) Verhandelingen bl. 155. Brieven III170. 3) Verhandelingen bl. 163. 4) Brieven V 48.

5) Opstellen van godg. en zedek. inhoud 185—100. Vergelijk Dichtw. VII 118. XIII 268, 465.

Sluiten