Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezenlijke kennis is voor den mensch in deze bedeeling niet weggelegd :

Doch te kennen! Ware op aarde Rust in die geringe kennis;

Dit vereenbaar met ons lot! Strek uw wensch niet verder uit:

Had dit leven zulk een waarde! Hooger wil waar heiligschennis

Kennen (neen!) behoort aan God. In een nietige aaidenkluit.

Wat zijn goedheid heeft vergund Dank voor 't geen uw God gedoogt

Dat ge op aarde kennen kunt, Dat ge op aarde kennen moogt,

Is een slechts ondeelbaar punt. Schoon uw ziel op hooger oogt. 1)

Met deze beperking lieeft Rilderdijk toch aan het verstand en zijn werkzaamheid niet te kort willen doen. Reeds uit hetgeen vroeger over de eenheid en samensteinming van alle menschelijke vatbaarheden werd medegedeeld, laat zich afleiden, dat Rilderdijk ook aan het verstand eene gewichtige plaats te midden van die vatbaarheden toekennen zal. Inderdaad eert hij daarin

een dierbre gift des Scheppers, hoog te stellen,

Die 't menschdom van het dier zoo heerlijk onderscheidt, Dat niets op aard bestaat, in lucht, in waterwellen,

't Geen ons op zijde streeft in kloekheid of beleid, 't Is onontbeerlijk in ons handlen, doen en denken,

En wee hem, die dit licht verroekloost in 't gedrag!

Die mensch verbeurt zijn rang, en 't is zyn hoofdplicht krenken Door gruwbren ondank aan 't weldadig Godsgezag. 2)

Het is dus volstrekt Rilderdijks bedoeling niet, om deze goddelijke, onwaardeerbare gift des verstands te verwaarloozen of te veronachtzamen ; hij wil het integendeel hooren en raadplegen, erkennen en volgen in alles, wat tot zijn aard en bestemming behoort 3). Zelfs de kennis van God is niet van het verstand uitgesloten. Wel is die kennis eene zaak van het hart. Maar het Evangelie zegt, dat wij God moeten liefhebben met geheel ons hart, geheel onze ziel en geheel ons verstand. l)e liefde tot God eischt dus den ganschen mensch. En wijl hart, verstand en zintuiglijkheid den uiensch uitmaken, moeten deze vatbaarheden niet alleen samenwerken, maar ook samensmelten in de erkentenis van God. Het verstand moet God in de waarheid, het zintuig God in het lichaamlijk genot kennen, en het innig gevoel van het hart moet alles vergeestelijken, invoege dat het lichamelijk

1) Dichtw. VI 200. 2) Dichtw. VI3. 3) Verhandelingen bl. 181,182.

Sluiten