Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godheid in ons schepselen. En bij toepassing noemen wij in ons de erkentenis van dat doel en die strekking onze reden, en hetgeen daarmede overeenstemt, noemen wij evenzoo redelijk. Redelijk zijn wij menschen dus, omdat en in zooverre wij dat doel en die strekking erkennen, welke God door zijne werking in ons aan ons voor oogen stelt, en welke ten slotte altijd in Hem als het hoogste einde uitloopen. Wel is waar wordt het woord ook meer algemeen gebruikt voor alle strekking tot een erkenbaar doel ; maar wanneer men de strekking vohlrekt neemt, is het ontegenzeggelijk, dat alle wezenlijke strekking zich noodwendig in ééne strekking verliest, welke de algemeene is en met het einddoel der schepping samenvloeit. Zoodra bij het schepsel de kennis van den Schepper wordt uitgesloten, is er immers geen reden meer.

Wezenlijk bestaat zij dus: objectief in de inspiegeling van den Schepper in al zijne schepselen, en subjectief in de erkentenis daarvan door den mensch. Die erkentenis kan nu in het afgetrokkene ook wel door het verstand plaats hebben, maar omdat de mensch in dat verstand actief optreedt en dus zeer sterk onder den invloed van zijn dwazen hoogmoed staat, sluit hij zich voor die inspiegeling Gods in zijne werken af en streeft hij er naar, om zijn eigen rechter, wetgever en God te zijn. Maar desniettemin, al beproeft de mensch dat in en met zijn verstand ; in zijn hart, in zijn innigst zelfgevoel heeft hij toch een onuitroeibaar besef van die inspiegeling Gods. En al is dit vermogen van klare en geduurzaam erkenbare erkentenis der afspiegeling en invloeiïng der Godheid, waardoor wij beheerscht moeten zijn, bij ons ook verduisterd ; dit neemt toch niet weg, dat wij, hoe onvolkomen ook, van die af- en inspiegeling sporen in ons behouden hebben 1).

Eilderdijk denkt er dus niet aan, 0111 het natuurlijk en zedelijk goede, dat in den mensch is overgebleven, te miskennen. Het onderscheid tusschen duivel en mensch is juist daarin gelegen, datgene het trachten naar het hoogere goed verloren, deze de vatbaarheid en den trek tot de hoogere volkomenheid behouden heeft. ,/ Wij vinden in ons het verval, maar met behoud van de vatbaarheid, van den trek tot de hoogere volkomenheid waar wij uit vervallen zijn; en dus zijn wij, ondanks het beginsel van boosheid, dat in ons is, in

1) Verhandelingen bi. 54—59.

Sluiten