Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'tOnzichtbre doet voor 't oog het zichtbre stofkleed aan, En zweeft in kleuren, die geene Iris uit kan drukken,— In bloemfestoenen, die betoovren, die verrukken, — In zonneglanzen, of in bliksemstralen uit,

En lacht en siddert, naar den toonval van uw luit.

Wat is, verdwijnt! Wat was, herteelt zich! 't ongeboren Springt, op uw wenken, als een watersprong, te voren !

't Haelal bezielt zich door uw adem; voelt met u;

En de eindlooze Eeuwigheid smelt in t ondeelbre Nu. 1)

Nederland, zegt Beets volkomen naar waarheid, heeft geen dichter gehad, die Bilderdijk evenaart in rijkdom van stof, in overvloed en diepte van gedachten. God en daemon, engelen en geesten, plant en dier, tot het stille leven van een sijsje toe, menschen van allerlei aard en karakter, zielstoestanden in allerlei schakeering, gebeurtenissen uit vroeger en later tijd, heldendaden en gruwelstukken, deugden en ondeugden, geschiedenis en wijsbegeerte, kunsten en wetenschappen, landbouw en veeteelt, handel en nijverheid, tot de meest prozaische en alledaagsche onderwerpen als Eierkoken en Alphabet toe, alles in hemel en aarde grijpt Bilderdijk aan, brengt hem in vervoering, en werpt hem in een vlaag van paroxysme, waarin hij rondgesleept werd als in een wervelwind 2).

Dit universalisme is een eerste kenmerk van Bilderdijks poëzie. Maar er komt een tweede bij, dat wederom door Beets even juist is opgemerkt als schoon gezegd. Bij rijkdom en volheid is eenheid, orde, evenredigheid het eigenaardig schoon der Bilderdijksche poëzie 3j. De gedichten van andere dichters, zoo werkt Beets deze gedachte nader uit, schijnen vaak om enkele regels of plaatsen geschreven, die onvergetelijk zijn, en waar de blijvende roem van deze stukken en van hen, die ze vervaardigden, op rust. Maar bij Bilderdijk verbergen zich de schoone regels en plaatsen in de algeineene schoonheid, en men herinnert zich deze en deze alleen. Inderdaad, zijne stukken lezende, ge-

1) Dichtw. VI 408. Verg. ook 't nabericht van de Ziekte der Geleerden: Den dichter, die waarlijk dichter is, is mets ondichterlijk; alles is

voor hem onderwerp, wat hem slechts belang inboezemt Dorheid

en schraalheid zijn des dichters. Waar de dichtkunst de voeten zet, ontluikt een bekoorlijk Eden.

2) Beets, Verpoozingen op letterkundig gebied. 2e druk, Amsterdam 1873 bl. 286.

3) Beets t. a. p. 273. Verg. ook Da Costa, Bilderdijks Epos. bl. 19.

Sluiten