Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luister, gelijk toen de Almacht sprak en 't opstond uit het duister 1).

In staagen barensnood om goed en schoon te telen,

Bezweek Natuur in 't wee van mis- aan misgeboort';

Maar Schilderkunst trad op met verwen en penceelen,

En bracht op 't ledig doek een nieuwe schepping voort.

Natuur, wat zwoegt ge en wroet, gedrukt door eigen zwaarte ? De Kunst ontleende aan u het voorwerp van haar doel;

Maar hooger gaat haar vlucht dan 't logge stofgevaarte:

Haar werkstof 'is het Licht, haar werking Zelfgevoel. 2)

Hoezeer Bilderdijk schoonheid en kunst ook in het algemeen waardeerde, de poëzie was voor hem de hoogste en schoonste der kunsten. Op dit gebied lag dan ook zijn kracht, hier betoonde hij zijn meesterschap, in de dichtkunst verwierf hij zijne schoonste lauweren. Dichter was hij van nature en met zijne gansche ziel. Al was de poëzie voor hem, naar zijn eigen zeggen, nooit anders dan een tusschenvallende vlaag of paroxysmus, een tusschen-uitspanning te midden van al zijn anderen arbeid 3), toch kon hij aan den anderen kant even goed naar waarheid van zichzelven getuigen :

Die mij van een toren stiet,

Zou me in gruizels doen verbrijzlen,

Maar dat gruis, naar allen schijn,

Zou gebroken verzen zyn. 4)

Het dichterlijke van Bilderdijk ligt volstrekt niet alleen in zijne talrijke bundels poëzie, maar evenzeer in zijn diep gevoel voor de Schoonheid in al het geschapene, in zijne zielsbehoefte "aan eenheid, orde, harmonie, in zijne gansche wereldbeschouwing, in zijne religieus-ethische en tegelijk aesthetische conceptie van alle dingen, de kleinste zoowel als de grootste. Ook in zijn proza komt deze dichterlijke natuur telkens voor den dag. Ofschoon anders met zijne gaven en deugden niet onbekend, heeft hij toch zijn proza onderschat 5). Wel heeft hij zich in den regel aan den stijven schrijftrant der achttiende eeuw niet kunnen ontworstelen, en vormt hij menigmaal zinnen, die gewrongen en houterig zijn ; maar toch kenmerkt zijn proza zich dikwerf door rijkdom

1) Dichtw. VI 349. VII 94v., 129. 2) Dichtw. XIII 210. 8) Brieven I 269 II 167. 4) Dichtw. XII 327. 5) Zie verschillende citaten bij Kollewijn II 478.

10

Sluiten