Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhandeling tot deze betrekkingen als rechtsgrond teruggaat, dan verandert hij niet van standpunt, maar dan neemt hij dezelfde positie in, welke hij vroeger bij den rechtsgrond der behoefte aanvaardde. De liefde, niet de abstracte, die een begrip des verstands is, maar de werkelijke liefde, die in God is, die door God in den boezem van al het geschapene gelegd is, die ook in het menschelijk hart, in weerwil van zijne verdorvenheid, als behoefte aan gezelligheid, als soeiabilitas bewaard is gebleven, en aan de societas het aanzijn gaf, deze liefde is het, waarin alle recht en plicht, alle gezag en vrijheid wortelt. Zij is de band van al het geschapene, het cement van alle maatschappij. Daarom staat het gezag ook niet tegenover de vrijheid ; op zichzelf is het maar een middel, doch het is een middel, daarom zoo heilig en heerlijk, wijl het aan de liefde dienstbaar is en ter handhaving en ten waarborg van de vrijheid strekt.

In het licht dezer beginselen komt ook de leer van Bilderdijk over huisgezin, staat en maatschappij tot haar recht. De gelijkheidsleer, die het onderscheid tusschen man en vrouw uitwischt, vindt in hem een principieel en onvermoeid tegenstander :

„De kunnen zyn gelyk". Dat vonnis is gesproken.

De nieuwe Wysheid die thans voorlicht, bracht dit uit,

En heel Europa knielt voor 't heerlijk raadsbesluit.

Neen, 't is de Schepper niet, die één in zyn gewrochten,

Aan 't talloos schepslenheir zijne éénheid kon verknochten, Die alles voor zyn stand, zijne orde, en plaatsing schiep, In 't roepen 't aanzyn gaf en nimmer twee werf riep:

Neen, 't is die God niet, die u voortbracht, stervelingen! Een Geest is't, zwak als wy, van wien wy 't licht ontflngen. Dees vormde 't menschdom by miljoenen uit het slyk,

En wiep ze door elkaar, eens Kadmus oogst gelyk;

En liet aan 't wuft Geval, een godheid meer verheven,

Om elk uit dezen hoop een eigen lot te geven. —

Zie daar Gelykheidsleer; haar grondslag; en heur aart! —

Neen, geen gelyk bestaat, waar God zich God verklaart. 1)

Het onderscheid tusschen man en vrouw is door God als den God der eenheid en der orde gewild, maar het is daarom ook in de natuur van beiden gegrond. Het is een onderscheid in maaksel, lichaams-, geestkracht en bestemming, in neigingen, bekwaamheden en driften 2), maar alle daartoe te herleiden, dat

1) Dichtw. VII 133. 2) Verhandelingen bl. 81.

Sluiten