Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vanzelf was Bilderdijk daarom hartstochtelijk voorstander van den monarchalen regeeringsvorm. Wel achtte hij ook eene aristocratie, dat is eene regeering van beambten, mogelijk, maar dan was het toch nog, alsof zulk een vader waarde om en werkte door hen, wien hij de verschillende waarnemingen van het bestuur toebetrouwd had 1). Het gezag, waarvan de vorst de drager is, is niet gesproten uit eene dwarrelende menigte, maar daalt af van 's Hoogsten troon en is met Zijn beeld en afdruk vereenigd :

Wat is de band, die 't wettig kroost verbindt? —

De vader uit wiens hartebloed zij sproten. —

Wat is de kracht, de klem van 't Staatsbewind ? — De vuist die 't snoer onwrikbaar houdt besloten. —

Wat is de kracht der maatschappij ? — 't Gezag,

Waarvoor zy buigt, als regel van haar richting,

En 't zielsgevoel dat niets versmooren mag,

Van Hooger macht als oorsprong der verplichting.

o Eenheid, beeld en spiegel van dien God Die 't al beheerscht, des braven hart zoo heilig:

Waar rust bjj woont, waarachtig heilgenot!

In u zijn Staat en huisgezinnen veilig.

God wrocht wat is, eenstemmig en volmaakt;

De Hel alleen verbreekt die heilige orde.

En rukt uitéén en brijzelt, lost, en slaakt Den hemelband die 't schoon Heelal omgordde. 2)

In de volksregeering zag Bilderdijk eene misgeboorte van het menschelijk onverstand, een bron van alwat onmenschelijk is, de moeder van den godslasterlijken en hersenschimmigen afgod der volksmajesteit 3). Het diepste beginsel van deze democratie ligt in de autolatrie, in de zelfverhetfing van den mensch, in zijn streven, om zijn eigen God en wetgever te zijn. Maar nu is de razernij nog niet daarbij gebleven, dat men den mensch als mensch, den mensch in het algemeen, vergoodde; de dolheid moest nog verder gevoerd worden, en ieder afzonderlijk maakte zich tot zijn eigen God. Daaruit werd nu weer het verfoeilijke en alles verwoestende nieuwe beginsel van gelijkheid geboren, van volksgezag, hetgeen ieder uit zijn eigen boezem haalt, en de godslasterlijke toepassing van het eenmaal eerbiedwaardige woord

1) Verhandelingen bl. 91. 2) Dichtw. XIV 181. 3) Verhandelingen bl, 91.

Sluiten