Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kraai uit en deze kwam niet terug, toen wist hij dat het water gevallen was." Ook de geschiedenis werd bij deze proef minder als grondslag voor het geloof aan een historisch feit aangegeven; door ongeveer 21% der kinderen. Daarentegen vinden wij in de antwoorden bewijzen, die in zichtbaren samenhang staan met het verleden, dikwijls vermeld. De burgeroorlog staat in den eersten rang onder de gebeurtenissen en soldaten, matrozen, geweren, gedenkteekenen en decoration-day x) worden als bewijzen aangehaald. Een negenjarige knaap zegt: „Ik weet dat er een burgeroorlog was, want mijnen vader werden de vingers afgehouwen en hij verloor een oog. Ik weet dat het waar is, want hij heeft slechts één oog en niet alle vingers." Een ander knaapje van denzelfden leeftijd zegt: „Ik geloof dat er oorlog was, omdat mijn grootvader er bij was. Ze hebben hem den grooten toon afgeschoten en hij krijgt alle drie maanden pensioen." Het ontbrekende oog, het verlies der vingers, de toon, het driemaandelij ksche pensioen vormen voor het kind een zichtbare verbinding met eene groote gebeurtenis. Soortgelijke bewijskracht hebben voor de kinderen de verklaringen van ooggetuigen. De een of andere kennis nam deel aan een belangrijke gebeurtenis en het persoonlijk bericht van de deelnemers geldt voor een bewijs, dat voor geen tegenspraak vatbaar is. 12 °/0 der kinderen verklaren hun gelooven aan het een of andere voorval met behulp der logica.

De beide onderzoekingen, bijeengenomen, schijnen te bewijzen dat schoolkinderen vijf algemeene soorten van

i) De 31ste Mei, de dag, waarop in de kerken ter herinnering aan de gevallen soldaten godsdienstoefeningen worden gehouden en waarop hunne graven versierd worden.

Sluiten