Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan 1245 kleine kinderen verteld: „Jamie kreeg van zijn vader een hond, maar hij vergat dikwijls het dier voedsel te geven en dan lag het te kermen voor de deur. Toen nam Jamie's vader den hond en gaf dien aan een goed, klein meisje, dat in dezelfde straat een beetje verderop woonde. Wie heeft nu het meeste recht op den hond? De vader, Jamie of het kleine meisje? en waarom?"

De kinderen, aan wie deze vraag voorgelegd werd, waren tusschen vijf en twaalf jaar. Men gaf zich bij deze proefvraag bijzondere moeite om de meening der jongste kinderen gewaar te worden, daar men de hoop koesterde dat hunne verklaringen niet alleen de primitieve eigendomsbegrippen zouden weergeven, maar ook licht zouden werpen op de spontane moreele inzichten van kleine kinderen. 70 o/o der meisjes en 57 % der jongens meenden dat het kleine meisje het meeste recht had op den hond. Drie redenen werden ter rechtvaardiging in het veld gevoerd:

1. Het kleine meisje voederde den hond, de jongen had hem wreed verwaarloosd en door die wreedheid zijn eigendomsrecht verloren. Het feit, dat 44°/0 der kinderen deze meening toegedaan waren, verzwakt zeer het gewoonlijk aangenomen paedagogische maxime, dat kinderen wreed zijn. Mijne eigen onderzoekingen zoowel als die van Prof. Carl Barnes staan trouwens lijnrecht tegenover dit van oudsher aangenomen dogma.

2. Meisjes zijn van nature goediger dan jongens, zeggen 8 °/0 der jongens en 17 °/0 der meisjes en reeds daarom hebben ze recht op het bezit van hulpelooze schepselen. Het is interessant te constateeren, dat het grootendeels meisjes zijn, die zichzelf voor goediger verklaren dan jongens.

3. De hond was haar gegeven, dus had zij er recht op hem te houden.

Sluiten